Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2485

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-03-2007
Datum publicatie
11-04-2007
Zaaknummer
05-656 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/656 WAO

Centrale Raad van Beroep

enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 16 december 2004, 03/1727 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N.A.P. Heesterbeek, advocaat te Helmond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante zijn ter onderbouwing van haar grieven nadere medische stukken ingebracht.

Het Uwv heeft een vraag van de Raad beantwoord.

Namens appellante zijn de gronden van het hoger beroep nader toegelicht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2007. Voor appellante, die als tevoren bericht in verband met gezondheidsbezwaren niet in persoon aanwezig kon zijn, is verschenen mr. Heesterbeek, voornoemd. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. D.M.G.M.W. Heijnen.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is op 17 juni 2000 wegens overgangsklachten als gevolg van een chromosomale afwijking uitgevallen voor haar werkzaamheden als verkoopster bij een supermarkt. Als gevolg van toegenomen klachten is zij op 13 november 2001 ook uitgevallen voor de door haar bij wijze van reïntegratie op 3 september 2001 ter hand genomen werkzaamheden als huishoudelijke hulp.

Bij besluit van 30 oktober 2002 heeft het Uwv geweigerd om appellante met ingang van 11 december 2001 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), op de grond dat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt is te achten.

Bij besluit van 12 mei 2003, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 30 oktober 2002 ongegrond verklaard.

Appellante is, samengevat weergegeven, van mening dat het door de verzekeringsartsen van het Uwv ingestelde onderzoek onzorgvuldig en onvolledig is geweest. Zij acht zich in verband met haar beperkingen niet in staat tot het verrichten van arbeid, althans niet tot het vervullen van de bij de schatting in aanmerking genomen functies.

De rechtbank heeft de bezwaren van appellante verworpen. De rechtbank heeft overwogen dat uit de rapportages van de verzekeringsartsen blijkt dat een lichamelijk en psychisch onderzoek is verricht en dat de beschikbare medische informatie van de behandelend sector in de beoordeling is betrokken. De rechtbank is van oordeel dat aldus het medische onderzoek zorgvuldig en volledig is geweest.

De grief van appellante dat de verzekeringsartsen een onjuiste diagnose (syndroom van Turner) hebben vermeld, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel, in welk verband de rechtbank heeft overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts in de rapportage van 17 maart 2003 weliswaar melding maakt van die diagnose, maar tevens blijk geeft op de hoogte te zijn van de chromosomale afwijking van appellante.

Er is voorts van de zijde van appellante geen medische informatie ingebracht die de rechtbank aanleiding heeft gegeven tot een andersluidend oordeel. Met betrekking tot de grief van appellante dat zij geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, heeft de rechtbank nog overwogen dat uit het medisch onderzoek van de verzekeringsarts naar voren komt dat appellante daartoe wel in staat moet worden geacht, terwijl de keuring van gemeentewege waarop appellante in dit verband een beroep heeft gedaan en waaruit naar voren zou zijn gekomen dat gebruik van het openbaar vervoer voor appellante niet mogelijk is, van na de datum in geding dateert.

Ook overigens is aan de rechtbank niet gebleken dat de beperkingen van appellante ten tijde hier van belang onjuist zijn vastgesteld.

De rechtbank heeft ook geen aanleiding gezien de arbeidskundige grondslag niet voor juist te houden.

Hetgeen appellante in hoger beroep heeft doen aanvoeren vormt in essentie een herhaling van de eerder naar voren gebrachte bezwaren.

De Raad verenigt zich met de overwegingen en het daarop gegronde oordeel van de rechtbank, als hiervoor in hoofdlijnen weergegeven. Naar aanleiding van hetgeen namens appellante naar voren is gebracht, overweegt de Raad dat hij zich met name ook kan stellen achter het oordeel van de rechtbank dat het medische onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv voldoende diepgaand en uitgebreid is geweest. Er is uitgebreide informatie ingewonnen bij behandelend artsen van appellante. Die informatie biedt geen steun aan de eigen opvatting van appellante met betrekking tot haar beperkingen en arbeidsmogelijkheden. Ook in de namens appellante in hoger beroep nog overgelegde medische stukken kan geen toereikende objectief-medische steun worden gevonden voor de eigen opvatting van appellante dat zij op de in dit geding ter beoordeling voorliggende datum 11 december 2001 aanzienlijk ernstiger beperkt was dan waarvan door de verzekeringsartsen is uitgegaan.

Uitgaande aldus van een juist vastgesteld belastbaarheidspatroon, staat voor de Raad, daarbij nog mede gelet op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 17 maart 2003 en het rapport van bezwaararbeidsdeskundige van 23 september 2004, voorts genoegzaam vast dat appellante op de datum in geding in staat was tot het verrichten van de werkzaamheden die behoren bij de functies die bij de schatting in aanmerking zijn genomen.

Uit het bovenstaande volgt dat het Uwv bij het bestreden besluit op goede gronden heeft geweigerd appellante voor de gevraagde WAO-uitkering in aanmerking te brengen.

De aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard, komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.R.H. van Roekel.

BKH 020307