Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2484

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-03-2007
Datum publicatie
11-04-2007
Zaaknummer
05-919 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/919 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 januari 2005, 04/2023 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.E. Eind, werkzaam bij Rechtskundig Bureau Eind te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, zijn standpunt nader toegelicht aan de hand van een ingezonden rapport van zijn bezwaararbeidsdeskundige en een vraag van de Raad beantwoord onder meezending van een nader rapport van de bezwaararbeidsdeskundige met bijlagen.

Namens appellant is een nader aanvullend beroepschrift ingezonden, met als bijlage een rapport van de Riagg Rijnmond Noord West.

Van de zijde van het Uwv is met een rapport van zijn bezwaarverzekeringsarts op het rapport van de Riagg gereageerd.

Bij brief van 12 februari 2007 heeft mr. ir. H.H. Veurtjes, advocaat te Rotterdam, zich als opvolgend gemachtigde gesteld. Bij die brief was als bijlage gevoegd een nader schrijven van de Riagg.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. ir. Veurtjes, voornoemd. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is op 4 december 2001 wegens psychische klachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als productiemedewerker. In verband hiermee is hij met ingang van 3 december 2002 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 1 juni 2004, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv in bezwaar gehandhaafd zijn besluit van 24 november 2003, strekkende tot herziening van de WAO-uitkering van appellant met ingang van 22 januari 2004 naar 35 tot 45%.

De rechtbank heeft geen reden gezien om het oordeel van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv voor onjuist te houden. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat die artsen hun oordeel (mede) hebben gebaseerd op alle tot dan toe omtrent appellant bekende medische gegevens, waaronder gegevens afkomstig van de Riagg en de gegevens als vervat in het rapport van psychiater R.J.H. Winter, gedateerd 28 maart 2003.

Voorts heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de bij de schatting als voor appellant passende arbeidsmogelijkheden in aanmerking genomen functies. De bij de functies voorkomende signaleringen zijn naar het oordeel van de rechtbank afdoende toegelicht, mede aan de hand van nader overleg tussen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige.

In hoger beroep is door appellant in de eerste plaats zijn opvatting staande gehouden dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn - in het bijzonder psychische - beperkingen. Ter ondersteuning van die opvatting is nadere informatie van de Riagg ingezonden. Voorts is naar voren gebracht dat de bij de schatting in aanmerking genomen functies niet voor hem geschikt zijn. De passendheid van die functies is volgens appellant door het Uwv onvoldoende inzichtelijk gemaakt.

De Raad ziet het hoger beroep van appellant niet slagen. Daartoe wordt als volgt overwogen.

De Raad overweegt in de eerste plaats, zulks naar aanleiding van hetgeen dienaangaande van de zijde van appellant naar voren is gebracht, dat de verzekeringsarts van het Uwv bij onderzoek van appellant in oktober 2003 heeft vastgesteld dat appellant op dat moment herstellende was van de eerder, onder meer in genoemd rapport van psychiater Winter, vastgestelde depressie. Hiermee laat zich verklaren dat de verzekeringsarts, anders dan voordien, appellant weer belastbaar heeft geacht met arbeid, zij het met inachtneming van beperkingen als nader aangegeven.

De Raad overweegt voorts dat uit het geheel van de omtrent appellant voorhanden medische informatie, daarbij inbegrepen de recent ingebrachte informatie afkomstig van de Riagg, niet kan worden afgeleid dat hij ten tijde van de datum in geding aantoonbaar meer beperkt was dan de beperkingen die door de verzekeringsartsen zijn aangenomen. Uit de Functionele Mogelijkheden Lijst komt naar voren dat op zich bij het opstellen van het voor appellant van toepassing geachte belastbaarheidspatroon rekening is gehouden met nog steeds bij hem aanwezige psychische problematiek, getuige de diverse beperkingen die zijn aangenomen inzake het persoonlijk en sociaal functioneren. Voor meer beperkingen ontbreekt evenwel een objectief-medisch substraat. Een zodanig substraat wordt, als hiervoor vermeld, ook niet aangetroffen in de nader ingebrachte informatie van de Riagg, waarbij de Raad mede heeft gelet op de reactie daarop van de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv, als vervat in het - met toestemming van de zijde van appellant - ter zitting overgelegde rapport van die arts van 19 februari 2007.

Er aldus van uitgaande dat de beperkingen van appellant juist zijn gewaardeerd, is de Raad voorts met de rechtbank van oordeel dat de bij de herziening van appellants uitkering betrokken functies terecht als voor hem haalbaar zijn aangemerkt. De Raad acht met de rechtbank de passendheid van de functies van de zijde van het Uwv - reeds voorafgaande aan het nemen van het bestreden besluit - voldoende toegelicht.

De aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard, dient te worden bevestigd.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.R.H. van Roekel.

BKH 020307