Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2436

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-04-2007
Datum publicatie
11-04-2007
Zaaknummer
06-4398 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALK:2006:AX9686, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onaangekondigde huisbezoeken slechts onder voorwaarden geoorloofd.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand, geldigheid: 2007-04-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2007/138 met annotatie van Red
JWWB 2007, 150
RSV 2007, 174

Uitspraak

06/4398 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 29 juni 2006, 05/3139 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn (hierna: College)

Datum uitspraak: 11 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.A. van Kan, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Kan. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door W.T.M. Schwering, werkzaam bij de gemeente Hoorn.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontvangt - in ieder geval - vanaf 1 september 1989 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Bij brief van 15 juli 2005 is appellante opgeroepen om in het kader van een rechtmatigheidsonderzoek voor een gesprek op het stadhuis te verschijnen. Haar is verzocht een aantal gegevens over te leggen, te weten haar legitimatiebewijs, het laatste bank- c.q. giroafschrift, de huurovereenkomst dan wel een verklaring van de hoofdbewoner en een bewijs van de betaling van de huur.

Appellante heeft op 21 juli 2005 aan de oproep gehoor gegeven en daarbij de gevraagde gegevens overgelegd. Tijdens dit gesprek is appellant verzocht mee te werken aan een aansluitend aan dit gesprek af te leggen huisbezoek. Appellante heeft daaraan medewerking geweigerd omdat dit te belastend zou zijn voor haar ouders, bij wie zij inwoont en die al op leeftijd zijn en een erg teruggetrokken leven leiden. Hierop is appellante een bedenktijd van 10 minuten gegeven, waarbij haar is meegedeeld dat de bijstand wordt beëindigd indien zij bij haar weigering zou blijven. Appellante heeft in haar weigering volhard en heeft vervolgens een verklaring ondertekend waarin is vermeld dat zij niet wenst mee te werken aan een huisbezoek.

Bij besluit van 25 augustus 2005 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 21 juli 2005 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat appellante heeft verzuimd medewerking te verleden aan een huisbezoek

Bij besluit van 31 oktober 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van

25 augustus 2005 ongegrond verklaard. Het College heeft daartoe overwogen dat ter ondersteuning van de algemene inlichtingenplicht van artikel 17, eerste lid, van de WWB voor appellante op grond van artikel 17, tweede lid, van de WWB de verplichting geldt om medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de WWB. Het College stelt zich op het standpunt dat de aan een huisbezoek inherente inbreuk op de privacy door middel van het opleggen van een huisbezoek gerechtvaardigd is. Voor de beoordeling van het recht op bijstand is het van belang dat de juiste inlichtingen worden verstrekt over de verblijfplaats. Gegevens over de woonsituatie zijn mede bepalend voor de vraag of, en zo ja in welke mate, bijstand moet worden verleend. Door op 21 juli 2005 geen medewerking te verlenen aan het huisbezoek heeft appellante naar de opvatting van het College niet de informatie verstrekt die noodzakelijk is om het recht op bijstand te kunnen vaststellen. Van een dringende reden die aan de onmiddellijke uitvoering van het huisbezoek in de weg staat, is het College ten slotte niet gebleken.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

31 oktober 2005 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:

“De aanleiding voor verweerder om een huisbezoek af te willen leggen bij eiseres is gelegen in het feit dat zij behoort tot de groep van inwonende bijstandscliënten. Naar het oordeel van de rechtbank levert dit een redelijke grond op om van eiseres de medewerking te verlangen teneinde haar woonsituatie nader in ogenschouw te nemen nu deze groep - op basis van ervaringsgegevens - door verweerder wordt beschouwd als een risicogroep. Dat het de bedoeling van de wetgever is geweest dat verweerder zich in het kader van zijn onderzoek naar de rechtmatigheid van verleende bijstandsuitkeringen op dergelijke risicoprofielen mag baseren volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de parlementaire geschiedenis van de WWB. In dat verband wijst de rechtbank op de Nota naar aanleiding van het verslag van de Invoeringswet WWB (TK, vergaderjaar 2002-2003, 28 960, nr. 6): “De gemeente heeft altijd ruimte voor een vorm van efficiencyafweging bij haar controle en opsporingsbeleid. Het controle- en opsporingsbeleid van een gemeente onder de WWB onderscheidt zich daarin niet van het controle en opsporingsbeleid bij andere regelingen (incl. de huidige Abw). Zo vormt deze ruimte de ratio van het werken met risicogroepen en risicoprofielen. Een versterkte aandacht voor deze wijze van werken als gevolg van de financiële systematiek van de WWB is dan ook uit oogpunt van de adequate fraudebestrijding niet bezwaarlijk”.

De rechtbank overweegt voorts dat het onaangekondigd huisbezoek in dit geval noodzakelijk was nu voor het vaststellen van het recht van eiseres op en de hoogte van bijstand van wezenlijk belang is dat voldoende duidelijkheid bestaat omtrent de woon- en leefsituatie van eiseres, dus of eiseres inderdaad (uitsluitend) met haar drie kinderen inwoont bij haar ouders. Nu verificatie van de door eiseres verstrekte gegevens in dit geval voorts niet anders mogelijk is dan door in de woning vast te stellen of eiseres daar inderdaad (uitsluitend) met haar drie kinderen en haar ouders woonachtig is, is de rechtbank voorts van oordeel dat het doel niet op minder ingrijpende wijze kon worden bereikt. De rechtbank acht de door deze controle en verificatie veroorzaakte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van eisers gerechtvaardigd en onevenredig in verhouding tot het met de controle en verificatie van de verstrekte gegevens nagestreefde doel, te weten de vaststelling of de toekenning van het recht op en de hoogte van de bijstand op basis van de juiste gegevens plaatsvindt. Nu eiseres niet heeft meegewerkt aan een noodzakelijk geacht huisbezoek en zij daarbij door verweerder is gewezen op de mogelijke gevolgen voor het recht op haar uitkering en van een zeer dringende reden die aan de onmiddellijke uitvoering van een onaangekondigd huisbezoek in de weg staat niet is gebleken, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een schending van de in artikel 17, eerste lid, van de WWB neergelegde inlichtingen- en medewerkingsplicht door eiseres.

Nu door verweerder niet kan worden vastgesteld of eiseres verkeert in de omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de bijstandsuitkering in redelijkheid heeft kunnen beëindigen.”.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft

- samengevat - aangevoerd dat het College geen aanleiding had om aan de eerdere opgave van haar woonsituatie te twijfelen en dat ten onrechte haar medewerking aan het huisbezoek is geëist op de enkele grond dat appellante tot de categorie inwonenden behoort.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Artikel 17, eerste lid, van de WWB, bepaalt voor zover hier van belang, dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de WWB.

Indien de belanghebbende deze inlichtingen-/medewerkingsplicht niet of niet in voldoende mate nakomt, en wanneer als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB, kan de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB worden ingetrokken.

Uit de gedingstukken blijkt dat het College ervoor heeft gekozen de rechtmatigheid van eerder toegekende bijstandsuitkeringen te controleren aan de hand van zogeheten risicogestuurde rechtmatigheidsonderzoeken, ook wel themacontroles genoemd.

Het College heeft daartoe op basis van opgedane ervaringen bij de uitvoering van de bijstandswetgeving een aantal groepen gedefinieerd, waarbij naar het oordeel van het College sprake is van een verhoogd risico op fraude. Eén van deze groepen is de groep van bijstandontvangers die inwonend zijn. Hiertoe behoort appellante, aangezien zij met haar kinderen bij haar ouders inwoont.

Uit de gedingstukken blijkt, en ter zitting van de Raad is dit namens het College bevestigd, dat er geen concrete aanwijzingen waren dat de feitelijke woon- en leefsituatie van appellante afweek van wat zij daarover aan het College had gemeld. In een rapportage van 22 augustus 2005 is vermeld dat de uitkering van appellante na het laatstgehouden onderzoek op 15 december 2004 correct is verstrekt. Ter zitting van de Raad is desgevraagd namens het College tevens meegedeeld dat ook de door appellante tijdens het gesprek op 21 juli 2005 verstrekte gegevens geen aanleiding vormden te twijfelen aan de juistheid van hetgeen omtrent haar woon- en leefsituatie eerder was vermeld af anderzins bij het College reeds bekend was. Slechts de omstandigheid dat appellante behoorde tot de groep van de inwonenden was voor het College aanleiding medewerking aan een huisbezoek te verlangen. Al voor het gesprek van 21 juli 2005 stond voor het College vast dat het, ongeacht de uitkomst hiervan, tot een huisbezoek zou moeten komen. Appellante was dit echter niet meegedeeld, zij werd hiermee eerst tijdens het gesprek op 21 juli 2005 geconfronteerd.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 1 mei 2001, LJN ZB9247 alsmede de uitspraak van 3 september 2003, LJN AF3007) kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek eerst gevolgen worden verbonden (in de vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van de bijstand) indien voor dat huisbezoek in het individuele geval een redelijke grond bestaat. Deze rechtspraak is tot stand gekomen onder de Algemene bijstandswet (Abw) en de hieraan voorafgaande Algemene Bijstandswet. De Raad ziet geen aanleiding om hierover voor de toepassing van de WWB anders te oordelen. De omstandigheid dat de intrekking van de uitkering en de hierop gebaseerde terugvordering van de bijstand onder de WWB niet langer een verplichting is voor een college maar een bevoegdheid, maakt dit niet anders. Dat gemeenten als gevolg van het vervallen per 1 januari 2004 van de op de Abw gebaseerde Regeling administratieve uitvoeringsvoorschriften Abw, Ioaw en Ioaz (Stcrt 1996, 58) meer vrijheid hebben in de wijze waarop de controle van de rechtmatigheid en de doelmatigheid van de verleende bijstand wordt georganiseerd en uitgeoefend leidt de Raad evenmin tot een ander oordeel.

In het geval van appellante waren bij het College ten tijde hier in geding geen objectieve feiten en omstandigheden bekend op grond waarvan redelijkerwijs kon worden getwijfeld aan de juistheid en/of volledigheid van de door appellante over haar woon- en leefsituatie verstrekte inlichtingen.

Anders dan de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat het College zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de enkele omstandigheid dat appellant bij haar ouders inwoont, en op haar daarom het risicoprofiel van “inwonenden” van toepassing is, een redelijke grond vormt voor een huisbezoek en dat het voor de uitvoering van de WWB redelijkerwijs nodig was dat appellante daaraan haar medewerking zou verlenen en de medewerkers van het College toegang diende te verschaffen tot de door haar gebruikte ruimtes in de woning van haar ouders.

Dat appellante haar medewerking aan dat huisbezoek heeft geweigerd kan haar dan ook niet worden tegengeworpen.

Hieruit vloeit voort dat het College niet bevoegd was de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB in te trekken. Dit betekent dat het besluit van 31 oktober 2005 in strijd is met de wet. De aangevallen uitspraak moet daarom worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 31 oktober 2005 vernietigen. Nu het primaire besluit van 25 augustus 2005 is gebaseerd op dezelfde onhoudbaar gebleken grond ziet de Raad aanleiding dit besluit met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht te herroepen.

De Raad ziet - ten slotte - aanleiding om het College te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in bezwaar en op € 644,-- in beroep vermeerderd met € 7,50 voor reiskosten en in hoger beroep op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand en € 22,-- voor reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 31 oktober 2005;

Herroept het besluit van 25 augustus 2005;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.961,50 te betalen door de gemeente Hoorn aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Hoorn aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en R.M. van Male en R.H.M. Roelofs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. van Ommen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 april 2007.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) S. van Ommen.

RB1203