Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2398

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-03-2007
Datum publicatie
06-04-2007
Zaaknummer
04-7184 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/7184 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 9 november 2004, 03/1475 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.E. Nijk, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. L. Hugenholtz, kantoorgenoot van mr. Nijk, en begeleid door haar zoon I. Demirbas en de tolk G. Kaya. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.T. Wielinga.

II. OVERWEGINGEN

Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

Bij besluit van 26 mei 2003 heeft het Uwv met ingang van 8 juli 2003 de aan appellante toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, verlaagd en berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25%. Bij besluit van

16 oktober 2003 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 mei 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Naar aanleiding van hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, waarbij zij tevens heeft verwezen naar de gronden van het beroep, overweegt de Raad als volgt.

De Raad is van oordeel dat het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Daarbij acht de Raad van belang dat de bezwaarverzekeringsarts na de hoorzitting inlichtingen heeft opgevraagd bij de huisarts van appellante, waarop deze heeft geantwoord met een schrijven van 27 september 2003, waarbij een brief van de behandelend arts-psychotherapeut van 11 november 2002 was gevoegd. De bezwaarverzekeringsarts is in zijn rapport van 10 oktober 2003 uitvoerig ingegaan op, onder meer, deze informatie alsmede op de door appellante overgelegde brief van haar maatschappelijk werker van

8 september 2003. In dit rapport heeft de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de Raad de beschikbare gegevens op zorgvuldige wijze getoetst aan zijn eigen waarnemingen. De Raad ziet met de rechtbank geen reden de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts over de belastbaarheid van appellante op de datum hier in geding, zoals in beroep nog nader toegelicht in het rapport van 16 januari 2004, voor onjuist te houden. Ook kan de Raad zich verenigen met het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts van 25 februari 2005 op het hoger beroepschrift. De zienswijzen van de huisarts en de maatschappelijk werker vormen voor de Raad geen grond een onafhankelijke medisch deskundige te raadplegen. Hun rapporten bevatten geen medisch onderbouwde gronden voor twijfel aan de belastbaarheid van appellante zoals omschreven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 28 februari 2003. Aan de in beroep overgelegde medische verklaringen uit Turkije kan de Raad in dit geding geen gewicht hechten, nu deze de gezondheidstoestand van appellante op 10 augustus 2004 betreffen en geen ander licht werpen op haar toestand op de datum hier in geding, 8 juli 2003.

Wat betreft de arbeidskundige kant van de zaak stelt de Raad vast dat de arbeidsdeskundige de functies productiemedewerker textiel (sbc-code 272043), schoonmaker hotel (sbc-code 111332) en huishoudelijk medewerker gebouwen (sbc-code 111334) aan de schatting ten grondslag heeft gelegd. Daarnaast werd appellante geschikt geacht voor twee reservefuncties. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in de beroepsfase verwezen naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 16 januari 2004. Daarin is ook gewezen op de notities functiebelasting van 8 april 2003. In de hoger beroepsfase heeft het Uwv naar aanleiding van een vraag van de Raad aanvullende rapporten van bezwaararbeidsdeskundigen, gedateerd 7 maart 2005 en 12 februari 2007, overgelegd. Daarin is de passendheid van de drie eerdergenoemde functies opnieuw beoordeeld en nader gemotiveerd, zowel uit het oogpunt van opleiding, vaardigheden en ervaring als uit het oogpunt van fysieke en psychische mogelijkheden van appellante. Met betrekking tot het opleidingsniveau overweegt de Raad dat dit ook in het verleden is gesteld op 2, zoals blijkt uit het arbeidskundig rapport van 9 april 2001. De Raad ziet in de enkele stelling van appellante dat zij de lagere school in Turkije niet heeft afgemaakt, geen aanleiding deze indeling, zoals toegelicht in het rapport van 7 maart 2005, onjuist te achten.

Alles overziende is de Raad van oordeel dat met de laatstgenoemde rapportages aan de door de Raad in zijn uitspraken van 9 november 2004 (LJN: AR4716 en volgende) gestelde motiveringseisen is voldaan. Nu het bestreden besluit vóór 1 juli 2005 is genomen en eerst in de (hoger) beroepsfase uiteindelijk de hiervoor gewenst geachte onderbouwing is gegeven, moet zulks tot de conclusie leiden dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van dat besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand kunnen worden gelaten.

Uit het vorenstaande volgt dat de Raad de aangevallen uitspraak zal vernietigen, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond zal verklaren en het bestreden besluit zal vernietigen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg, op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 25,40 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal € 1.313,40.

Nu de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven en niet is gebleken van op grond van artikel 8:73 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komende schade, zal de Raad het verzoek om schadevergoeding afwijzen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.313,40, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, waarvan

€ 1.288,- aan de griffier van de Raad;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 133,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en M.C. Bruning en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2007.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) W.R. de Vries.

GdJ