Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2390

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-03-2007
Datum publicatie
06-04-2007
Zaaknummer
03-4537 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Schending hoorplicht. In stand laten rechtsgevolgen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/4537 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiser], (hierna: eiser),

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 maart 2007

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het Uwv van

24 juli 2003 (hierna: bestreden besluit) waarbij het bezwaar tegen een jegens hem genomen beslissing van 2 april 2002 ongegrond is verklaard.

Namens het Uwv is een verweerschrift ingediend.

In overeenstemming met partijen heeft de Raad de behandeling ter zitting van 4 november 2005 geschorst, mede teneinde het Uwv de gelegenheid te bieden om eiser te horen. Het verslag van de op 13 juni 2006 gehouden hoorzitting en nadere stukken zijn door het Uwv bij brief van 11 mei 2006 ingezonden.

De behandeling is voortgezet ter zitting van 9 maart 2007. Eiser is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende, door partijen niet bestreden feiten.

Eiser was laatstelijk werkzaam als rechter in de civiele sector. Hij heeft zijn werk met ingang van 21 september 2000 in verband met hartklachten en vermoeidheid gestaakt.

In juli 2001 heeft eiser een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aangevraagd. In verband hiermee heeft de verzekeringsarts eiser onderzocht, informatie ingewonnen bij de eiser behandelende cardioloog en psychiatrische expertise laten verrichten. De voor eiser bestaande, uit ziekte of gebrek voortvloeiende arbeidsbeperkingen heeft de verzekeringsarts vastgelegd in een zogenaamde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Eiser kan niet (langer) zware lasten hanteren tijdens zijn werk, ondervindt enige beperking bij het klimmen en moet fysieke piekbelasting vermijden.

In maart 2002 heeft de arbeidsdeskundige een onderzoek ingesteld. Hij heeft in zijn rapport van 25 maart 2002 eisers beschrijving overgenomen van het door hem verrichte werk en de daarin voorkomende kenmerkende belasting. Eiser is per week drie dagen in het gebouw van de rechtbank werkzaam en werkt twee dagen thuis. Om files te vermijden vertrekt eiser op de dagen dat hij in het gebouw van de rechtbank werkt voor 6.00 van huis en is pas tegen 21.30 uur thuis. Van een werkplekonderzoek heeft de arbeidsdeskundige in overleg met eiser afgezien, omdat naar zeggen van eiser de door de verzekeringsarts aangegeven beperkingen voor het werk als rechter geen belemmeringen opleveren. Ondanks de lange werkdagen op de rechtbank, is de arbeidsdeskundige van oordeel dat de uit ziekte of gebrek voortvloeiende arbeidsbeperkingen eiser niet verhinderen zijn werk als rechter te verrichten.

Bij het besluit van 2 april 2002 heeft het Uwv geweigerd eiser na afloop van de wettelijke wachttijd met ingang van 20 september 2001 een WAO-uitkering toe te kennen, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt. Dit besluit is bij het in beroep bestreden besluit gehandhaafd.

De Raad overweegt het volgende.

Eiser heeft zich naar het oordeel van de Raad terecht er over beklaagd dat verweerder heeft nagelaten hem voorafgaand aan het bestreden besluit te horen. Het bestreden besluit is zodoende in strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand gekomen. Het beroep is om die reden gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

Nu inmiddels eiser hangende het beroep alsnog is gehoord, ziet de Raad met het oog op de toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb aanleiding over te gaan tot een inhoudelijke beoordeling van het geschil en overweegt dienaangaande als volgt.

Tegenover het verzekeringsgeneeskundig oordeel heeft eiser geen (andersluidende) medische informatie ingebracht. Het verzekeringsgeneeskundig oordeel berust op een zorgvuldig en uitgebreid onderzoek. De verzekeringsarts gaat er van uit dat voor eiser enige uit ziekte of gebrek voortvloeiende beperkingen tot het verrichten van arbeid bestaan. De Raad heeft geen reden tot twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts getrokken conclusies.

De arbeidsdeskundige heeft zich verlaten op de door eiser gegeven omschrijving van de door hem verrichte werkzaamheden. Eiser heeft niet gesteld en de Raad is evenmin anderszins gebleken dat deze omschrijving niet juist is. De Raad tekent hierbij wel aan dat uit de omschrijving tevens naar voren komt dat eiser de indeling van zijn werkzaamheden en de inrichting van zijn werkdagen in hoge mate zelf kon beïnvloeden. Onder deze omstandigheden kan de Raad de destijds ook door eiser onderschreven conclusie van de arbeidsdeskundige volgen dat de voor eiser in de FML beschreven beperkingen ten tijde van belang niet in de weg staan aan het verrichten van zijn eigen werk als rechter.

Het is vaste rechtspraak dat de geschiktheid voor het eigen werk, doet veronderstellen dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO. Bijzondere omstandigheden om hiervan af te wijken zijn de Raad niet gebleken.

In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten aan de zijde van eiser is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser het door hem betaalde griffierecht ad € 31,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter en D.J. van der Vos en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2007.

(get.) R.C. Stam.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

GG220307