Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2354

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2007
Datum publicatie
05-04-2007
Zaaknummer
05-286 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Pijnklachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/286 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 8 december 2004, 04/145 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.F. Vogel, advocaat te Almere, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift met bijlage ingediend, een vraag van de Raad beantwoord en een ontbrekend stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2007. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door haar opvolgend gemachtigde mr. G.J.A.M. Gloudi, advocaat te Lelystad. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door

mr. J.J.C. Röttjers.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is medio 1996 wegens rugklachten, ontstaan in aansluiting op lumbaal anesthesie, uitgevallen voor haar in een deeltijdse omvang verrichte werkzaamheden als medewerkster in een buurthuis. In verband hiermee is haar ingaande 24 juni 1997 een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens onder meer de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend.

Uit een verslag, gedateerd 3 januari 2003, van een in het kader van de zogeheten vijfdejaars herbeoordeling ingesteld verzekeringsgeneeskundig onderzoek, komt naar voren dat zich bij appellante, mede als gevolg van de aanhoudende lage rugpijnklachten, ook klachten van psychische aard hebben ontwikkeld, waarvoor zij zich onder behandeling heeft gesteld van de psychiater N.A. van Bommel. Volgens de verzekeringsarts is de lichamelijke en psychische belastbaarheid van appellante licht toegenomen en is zij met inachtneming van de in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgenomen beperkingen weer in staat tot het verrichten van arbeid.

De arbeidsdeskundige van het Uwv is op basis van het door hem ingestelde onderzoek tot de conclusie gekomen dat voor appellante, uitgaande van de door de verzekeringsarts in de FML aangegeven beperkingen, nog diverse passende loondienstfuncties vallen aan te wijzen, waarmee zij een zodanig loon kan verwerven dat ten opzichte van haar maatgevende inkomen geen sprake is van enig verlies van verdiencapaciteit.

In overeenstemming met deze verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige uitgangspunten heeft het Uwv bij besluit van 28 juli 2003 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 18 augustus 2003 ingetrokken, op de grond dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid per die datum is afgenomen naar minder dan 15%.

Bij besluit van 16 januari 2004 heeft het Uwv het namens appellante tegen het besluit van 28 juli 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Namens appellante is beroep ingesteld tegen het besluit van 16 januari 2004, hierna: het bestreden besluit.

De rechtbank heeft in de eerste plaats overwogen dat er sprake is geweest van een voldoende zorgvuldig medisch onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv en voorts dat uit hetgeen namens appellante in beroep is aangevoerd en aan medische stukken is ingebracht niet kan worden afgeleid dat onvoldoende rekening is gehouden met haar beperkingen. Van belang acht de rechtbank dat uit de medische verklaringen niet blijkt dat voor de pijnklachten van appellante een lichamelijke oorzaak is aan te wijzen.

Verder heeft de rechtbank overwogen dat zij het op zich eens is met de kritiek van appellante inzake de arbeidskundige voorbereiding van het bestreden besluit, hieruit bestaande dat zij tengevolge van een verkeerde adressering - appellante was inmiddels verhuisd maar de arbeidsdeskundige heeft tot twee maal toe nog haar oude adres gebruikt - niet in een persoonlijk onderhoud met de arbeidsdeskundige op de hoogte is gesteld van de arbeidskundige uitgangspunten van de voorgenomen beslissing tot intrekking van haar uitkering.

De rechtbank was evenwel tevens van oordeel dat appellante hierdoor niet zodanig in haar belangen is geschaad dat het bestreden besluit om die reden geen stand kan houden. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank aangegeven dat appellante bij brief van 17 juni 2003 op de hoogte is gesteld van de voorgenomen intrekking van haar WAO-uitkering. Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat appellante zich nadien in bezwaar en ook in beroep in voldoende mate over de geduide functies heeft kunnen uitlaten en ook daadwerkelijk heeft uitgelaten.

Ten slotte waren er naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op de op 25 juni 2004 nog verstrekte nadere arbeidskundige toelichting, geen aanwijzingen om aan te nemen dat de geselecteerde functies niet binnen de medische beperkingen van appellante blijven.

Hetgeen appellante in hoger beroep heeft doen aanvoeren vormt in essentie een herhaling van de reeds in eerdere stadia van de procedure naar voren gebrachte grieven. Zij houdt staande aanzienlijk ernstiger beperkt te zijn dan waarvan het Uwv is uitgegaan en op de datum in geding ten gevolge van haar beperkingen onverminderd niet in staat te zijn tot het verrichten van loonvormende arbeid. Appellante blijft de mening toegedaan dat ten onrechte geen informatie is ingewonnen bij haar behandelend psychiater Van Bommel. Zij houdt tevens staande te zijn benadeeld door de gang van zaken rond het misgelopen onderhoud met de arbeidsdeskundige. Ten slotte is volgens appellante van de zijde van het Uwv onvoldoende toegelicht waarom de bij de schatting in aanmerking genomen functies voor haar als passend kunnen worden aangemerkt.

De Raad ziet het hoger beroep van appellante geen doel treffen.

Wat betreft de aanhoudende ernstige pijnklachten van appellante overweegt de Raad met de rechtbank dat volgens de diverse behandelend specialisten van appellante, onder meer een orthopedisch chirurg en een revalidatiearts, daarvoor geen somatische oorzaak aanwijsbaar is.

Voorts overweegt de Raad dat van een onzorgvuldige voorbereiding van de medische grondslag van het bestreden besluit, ook wat betreft de psychische klachten van appellante, geen sprake is. De primaire verzekeringsarts heeft aan die klachten expliciet aandacht besteed, naar blijkt uit het door die arts verrichte oriënterende psychisch onderzoek. Daarnaast is informatie ingewonnen bij de huisarts, waaruit naar voren kwam dat bij appellante eind 1997 een “minor depression” is vastgesteld, waarvoor zij vanaf die tijd onder behandeling is bij de hiervoor genoemde psychiater Van Bommel. De verzekeringsarts is op basis van een en ander tot de conclusie gekomen dat aanwijzingen bestaan voor psychopathologie in de vorm van een somatoforme pijnstoornis en persoonlijkheidsproblematiek.

Er is aan de Raad niet kunnen blijken van genoegzame objectief-medische gronden om de door de verzekeringsarts van toepassing geachte psychische beperkingen niet voldoende te achten. Het van de zijde van appellante in hoger beroep alsnog ingebrachte schrijven d.d. 21 februari 2005 van Van Bommel, waarin onder meer als diagnose wordt genoemd een “depressieve stoornis, recidiverend, licht tot matig, waarschijnlijk secundair aan de pijnstoornis”, heeft de Raad geen aanleiding gegeven tot een andersluidend oordeel. De Raad heeft daarbij in het bijzonder in aanmerking genomen de op dat schrijven door de bezwaarverzekeringsarts L.T.M. Lenders gegeven reactie van 8 maart 2005, met welke reactie de Raad zich kan verenigen.

Nu ook anderszins geen nadere medische stukken in het geding zijn gebracht die tot steun kunnen dienen voor appellantes eigen opvatting inzake de ernst van haar beperkingen en haar (ontbrekende) arbeidsmogelijkheden, concludeert de Raad dat de medische grondslag van het bestreden besluit als juist kan worden aanvaard.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag, overweegt de Raad in de eerste plaats zich geheel te kunnen vinden in hetgeen de rechtbank heeft overwogen en geoordeeld omtrent het misgelopen onderhoud met de arbeidsdeskundige. Ook de Raad heeft begrip voor de dienaangaande door appellante met nadruk naar voren gebrachte grieven, maar is tevens met de rechtbank van oordeel dat hierin toch onvoldoende grond is gelegen voor vernietiging van het bestreden besluit. De Raad wijst in dit verband erop dat appellante met de brief van de arbeidsdeskundige van 17 juni 2003 op de hoogte is gesteld van onder meer de functies tot het vervullen waarvan zij nog in staat wordt geacht. Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat niet verlangd kan worden dat de geselecteerde functies ook mondeling worden aangezegd: voldoende is dat de verzekerde tijdig en op duidelijke wijze uiteengezet krijgt voor welke werkzaamheden hij of zij geschikt wordt bevonden. Aan die eis is in het onderhavige geval voldaan met genoemde brief van 17 juni 2003, in welke brief immers expliciet de drie functies staan vermeld die bij de schatting in aanmerking zijn genomen. Appellante heeft voorts voldoende gelegenheid gekregen - en ook benut - om zich tegen de arbeidskundige grondslag van de schatting te verweren.

Ten slotte is de Raad van oordeel dat de bij de schatting in aanmerking genomen functies geacht kunnen worden binnen het bereik van appellante te liggen. De passendheid van die functies is van de zijde van het Uwv toereikend en op voldoende inzichtelijke wijze toegelicht, in welk verband de Raad met name wijst op het door de bezwaararbeids-deskundige ingevulde schema van 23 juni 2004, dat als bijlage was gevoegd bij de door de rechtbank in de aangevallen uitspraak genoemde brief van 25 juni 2003.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard, dient daarom te worden bevestigd.

Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en A.T. de Kwaasteniet als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.