Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2352

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-04-2007
Datum publicatie
05-04-2007
Zaaknummer
04-4806 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. CBBS. In hoger beroep nadere toelichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/4806 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van rechtbank Arnhem van 12 augustus 2004, 04/478 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A. van Ham, advocaat te Veenendaal, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2007. Namens appellant is mr. Van Ham verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.C.M. van de Pol.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is op 29 augustus 1997 uitgevallen voor zijn werkzaamheden als scheerder/sterker in ploegendienst bij [naam werkgever] Per 28 augustus 1998 is hem een uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. In het kader van de zogenoemde herbeoordeling van die mate van arbeidsongeschiktheid heeft het Uwv de arbeidsongeschiktheid bij besluit van 4 november 2003 per 28 augustus 2003 ongewijzigd vastgesteld op 35 tot 45%. De daartegen gerichte bezwaren heeft het Uwv bij het thans bestreden besluit van 2 maart 2004 ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dat beroep is door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij onder meer overwogen dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid. De rechtbank heeft er daarbij op gewezen dat de door appellant ingebrachte brieven met conclusies van door hem geraadpleegde medici geen onderzoeksgegevens bevatten waarop die conclusies zijn gebaseerd. De rechtbank heeft voorts overwogen dat appellant de geduide functies kan vervullen en dat hij het daartoe vereiste opleidingsniveau heeft.

De stellingen van appellant in hoger beroep komen er – kort gezegd – op neer dat het Uwv ten onrechte de conclusies in de door hem ingebrachte brieven van de door hem geraadpleegde orthopeed en psychiater heeft verworpen. Volgens appellant is de belastbaarheid die het Uwv heeft vastgelegd in de zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) dan ook onjuist. Appellant betwist dat de hem op basis van die FML voorgehouden functies passend zijn.

De Raad overweegt als volgt.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het onderzoek naar de medische beperkingen van appellant voldoende zorgvuldig is geweest. Uit de betreffende rapportages blijkt dat op 26 september 2003 de aanwezige gegevens zijn bestudeerd, dat een anamnese is opgemaakt en dat appellant lichamelijk is onderzocht. Tevens is een oriënterend psychisch onderzoek verricht. Ook werd vastgesteld dat appellant niet meer onder behandeling was. Naar aanleiding van dat onderzoek werd geconcludeerd dat in de belastbaarheid van appellant een wijziging was opgetreden in die zin dat er sprake was van een iets verminderde psychische belastbaarheid ten opzichte van het eerder verrichte onderzoek. Met het Uwv en de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door appellant ingebrachte rapporten van de Spaanse medici terecht geen aanleiding hebben gegeven tot een wijziging van de beoordeling van de belastbaarheid. De standpunten van deze specialisten worden immers niet gedragen door vastgestelde feiten of onderzoeksgegevens. De getrokken conclusies stroken dan ook niet met de bij appellant vast te stellen lichamelijke en geestelijke beperkingen.

De Raad is vervolgens van oordeel dat, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde FML, appellant de hem voorgehouden functies kan vervullen. Zoals de gemachtigde van appellant ter zitting heeft aangegeven, heeft het Uwv een aantal van diens vragen ten aanzien van gebruik van het zogenoemde Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) beantwoord, maar stelt hij niettemin dat appellant de functies van inpakker en medewerker textiel niet kan vervullen in verband met diens beperkingen ten aanzien van deadlines en productiepieken. De Raad is echter van oordeel dat het Uwv voldoende heeft onderbouwd waaruit die deadlines en productiepieken bestaan en om welke reden appellant geacht moet kunnen worden onder die omstandigheden zijn werk te kunnen verrichten.

De Raad volgt de gemachtigde niet waar deze stelt dat het aannemen van de beperking ten aanzien van het buigen of frequent buigen met zich brengt dat er een belasting is in het aantal uren dat appellant per dag in de betreffende functies werkzaam zou kunnen zijn. Wat er ook zij van het –niet ingebrachte- voorlichtingsmateriaal van het Uwv waaruit zou volgen dat bij deze beperking tevens een urenbeperking zou horen, het blijkt niet uit de voor appellant opgestelde FML dat op appellant een urenbeperking van toepassing zou zijn.

Het is de Raad tenslotte niet gebleken dat het opleidingsniveau van appellant onvoldoende is om de functie van inkoper te vervullen. Daarbij wijst de Raad er overigens nog op dat ook al zou deze functie niet voor de schatting kunnen worden gehanteerd, appellant niettemin nog steeds ingedeeld zou blijven in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%.

De Raad stelt vast dat door het Uwv eerst in het hoger beroep aan de hand van de rapportages van 28 oktober 2005 en 7 december 2006 voldoende inzichtelijk is toegelicht dat appellant de voor hem geselecteerde functies kan vervullen. Gelet op de vaste jurisprudentie van de Raad met betrekking tot met behulp van het CBBS tot stand gekomen besluiten, dient het bestreden besluit dan ook te worden vernietigd

wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarbij de rechtsgevolgen van dat besluit, gelet op hetgeen hiervoor werd overwogen, onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand kunnen worden gelaten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, totaal derhalve € 1288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 139,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en H.G. Rottier en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. van Netten als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 april 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A. van Netten.