Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2342

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-03-2007
Datum publicatie
05-04-2007
Zaaknummer
05-1222 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dagloonbepaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1222 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 18 januari 2005, 04/685 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 22 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2007, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M.R. Meulenberg-ten Hoor, advocaat te Valkenburg. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door F. Houtbeckers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

De in dit geding te beantwoorden centrale vraag is of voor de dagloonbepaling ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van appellant per 14 januari 2004 op € 69,50 door de rechtbank in de aangevallen uitspraak in overeenstemming met de zienswijze van het Uwv bij na bezwaar genomen besluit van 28 april 2004 terecht en op goede gronden is uitgegaan van de laatst vervulde functie als conciërge bij een basisschool in plaats van het vroeger beklede ambt van chef de bureau/administrateur bij de [naam werkgever].

In hoger beroep beschouwt appellant deze laatste arbeid welke in de periode van 1964 tot en met 1992 28 jaar door hem is verricht als het gewoonlijk door hem uitgeoefende en derhalve hier in aanmerking te nemen beroep ter bepaling van het juiste WAO-dagloon.

De later aanvaarde baan als conciërge ziet appellant als door nood ingegeven laag betaald vrijwilligerswerk om althans een zinvolle tijdsbesteding te hebben. Hij voelt zich gestraft voor zijn dienstbaarheid.

De Raad overweegt te dien aanzien, in lijn met de aangevallen uitspraak, dat hij de zienswijze van de appellant op basis van de toepasselijke regelgeving en gevestigde jurisprudentie niet kan delen, omdat

- de band met de functie van chef de bureau/administrateur reeds sedert eind 1992 was geslecht en nimmer meer aantoonbaar is aangehaald;

- de functie van conciërge laatstelijk gedurende de aanzienlijke periode van 6 1/2 jaar van medio 1996 tot begin 2003 tegen regelmatige loonbetaling was uitgeoefend en, ongeacht de reden van werkverschaffing waarom hiertoe is besloten, gaandeweg als reguliere bestendige arbeid voor appellant dient te worden beschouwd;

- de toepassing van het dervingsprincipe vervat in artikel 14 van de WAO meebrengt dat bij de nadere dagloonvaststelling met toepassing van artikel 2 e.v. van de Dagloonregelen WAO als uitgangspunt en in casu gegeven de feiten en omstandigheden in onderling verband de laatste functie tot basis wordt genomen;

- er, anders dan appellant meent, niet is gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden dat dit laatste uitgangspunt hier metterdaad dient te worden verlaten;

- aan dit laatste geen wezenlijke afbreuk doet de positieve opstelling van appellant jegens de arbeidsmarkt, nu die niet onomstotelijk bewijs levert dat appellant eenduidig heeft nagestreefd om in een soortgelijke functie dan zijn vroegere functie met een daaraan verbonden hoger salarisniveau andermaal werkzaam te zijn;

- terugkeer in zulk een functie als laatstbedoeld ook onder gunstiger omstandigheden op de arbeidsmarkt gezien de toegenomen eisen van bekwaamheid en niveau geenszins zonder meer te verwachten viel, laat staan aangenomen zonder daarop structureel gerichte bijscholing en zonder aansluitende in ruime mate bewijsbare sollicitatieactiviteiten op niveau;

- tenslotte de regelgeving geen specifieke garantieregeling kent welke onder omstandigheden zoals van dienstbaarheid aan het arbeidsproces garandeert na een langdurige onderbreking van circa 10 jaar terug te keren voor de bepaling van een nader WAO-dagloon naar een oorspronkelijk althans vroeger geruime tijd uitgeoefende functie zoals hier van hoger en beter betaald niveau.

De Raad komt dan ook op grond van een en ander in onderling verband tot de slotsom dat de hoger bedoelde functie van conciërge terecht en op goede gronden als diens gewoonlijk uitgeoefend beroep dient te worden beschouwd en dat met inachtneming hiervan zijn WAO-dagloon per 14 januari 2004 naar behoren is vastgesteld.

Het hoger beroep van appellant kan derhalve niet slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en G. van der Wiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2007.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A.C. Palmboom.