Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2307

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-04-2007
Datum publicatie
04-04-2007
Zaaknummer
07-1352 WWB VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering vanwege opgave onjuist woonadres. Toewijzing verzoek voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/1352 WWB-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[verzoeker] (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 20 februari 2007, 06/5728 WWB en 07/08 WWB (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoeker

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 3 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. M.A. van Hoof, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Namens verzoeker heeft mr. Van Hoof tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2007. Verzoeker is daar verschenen, bijgestaan door mr. Van Hoof. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Tevens is daar verschenen de door verzoeker meegebrachte getuige [naam getuige], wonende te [plaatsnaam].

II. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is onder meer het volgende gebleken.

Verzoeker ontvangt sedert 1996 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB)

Naar aanleiding van een anonieme melding dat verzoeker sinds zes jaar in [plaatsnaam] met zijn vriendin samenwoont en dat hij zijn woning in [plaatsnaam] onderverhuurt, heeft de afdeling Controle en Handhaving van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van de gemeente Amsterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan verzoeker verleende bijstand. In het kader van dat onderzoek is zowel in Amsterdam als in [plaatsnaam] een buurtonderzoek ingesteld, is verzoeker gehoord en is op het adres van verzoeker in Amsterdam een huisbezoek afgelegd.

Hangende dit onderzoek heeft het College bij besluit van 15 augustus 2006 de bijstand met ingang van 9 augustus 2006 opgeschort op de grond dat verzoeker op die datum niet heeft gereageerd op een oproep van 8 augustus 2006 om op 9 augustus 2006 op het kantoor van de DWI te verschijnen.

De bevindingen en conclusies van het onderzoek, neergelegd in een rapport van 18 augustus 2006, waren voor het College aanleiding om bij besluit van 12 september 2006 de bijstand van verzoeker met ingang van 9 augustus 2006 in te trekken. Het College heeft daarbij overwogen dat met ingang van de genoemde datum sprake is van samenwonen.

Bij besluit van 28 november 2006 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 15 augustus 2006 en van 12 september 2006 ongegrond verklaard. Het College heeft ter zake van de intrekking overwogen dat is vastgesteld dat verzoeker niet woonde op het door hem in Amsterdam opgegeven adres, zodat de uitkering op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB terecht is ingetrokken.

De voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: de rechtbank) heeft met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuurrecht (Awb) het beroep tegen het besluit van 28 november 2006 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Voorts heeft de rechtbank het bezwaar tegen het besluit van 15 augustus 2006 (de opschorting) gegrond verklaard en dat besluit herroepen. De rechtbank heeft verder bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 28 november 2006, voor zover betrekking hebbend op de intrekking, in stand blijven. Het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen en ten slotte zijn beslissingen genomen inzake proceskosten en griffierecht.

Verzoeker heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld voor zover hierbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 28 november 2006 in stand zijn gelaten. Een en ander houdt in dat in hoger beroep nog slechts aan de orde is de intrekking van de bijstand met ingang van 9 augustus 2006.

De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld - kort weergegeven - dat de voorhanden gegevens niet de conclusie kunnen dragen dat verzoeker niet daadwerkelijk op het door hem opgegeven adres, [adres 1] te [plaatsnaam], woonachtig is. De rechtbank heeft daartoe ten onrechte van belang geacht de in het kader van het rechtsmatigheidsonderzoek door de bewoner van het adres [adres 2] afgelegde verklaring.

Ter zitting heeft [naam getuige], de door verzoeker meegebrachte getuige, verklaard dat hij - ook in juli en augustus 2006 - de bewoner is van het adres [adres 1]. Voorts heeft deze getuige verklaard dat hij niet de verklaring heeft afgelegd zoals deze tot de gedingstukken behoort. Blijkens die handgeschreven, niet ondertekende en anonieme verklaring is verklaard dat er op nummer [huisnummer] nu twee mannen wonen, dat hij (getuige) ongeveer zeven jaar op dit adres woont, dat hij (blijkbaar is hier verzoeker bedoeld) maar heel even komt, dat het een rare man is en dat de man die afgebeeld is op de foto (blijkbaar verzoeker) hier niet woont. De getuige heeft ter zitting verder verklaard dat ook zijn echtgenote de betreffende verklaring niet heeft kunnen afleggen, omdat zij nog maar pas in Nederland is en de Nederlandse taal slechts in zeer beperkte mate begrijpt en spreekt.

De handgeschreven versie van de verklaring is op 2 juli 2006 gedateerd, de getypte versie op 2 augustus 2006.

De voorzieningenrechter komt op grond hiervan tot de conclusie dat er twijfels zijn gerezen met betrekking tot de juistheid van de inhoud van genoemde verklaring. Het College heeft ter zitting die twijfels niet kunnen wegnemen.

Ook de overige drie verklaringen van omwonenden van het adres van verzoeker in [plaatsnaam] zijn wat hun wijze van totstandkoming betreft niet helder. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Twee, eveneens anonieme, verklaringen zijn blijkens de handgeschreven versie afgelegd op 2 juli 2006 respectievelijk

31 juli 2006 door een bewoner van het adres [adres 3]. Ter zitting heeft het College gesteld dat deze verklaringen afkomstig zijn van twee verschillende personen die beiden op dit adres woonachtig zijn, het zouden een vrouw en haar dochter zijn die ieder op een verschillend moment zijn gehoord. In de getypte versie is voorts aangegeven dat het gaat om verklaringen van 31 juli 2006 en van 2 augustus 2006.

Ten slotte bevindt zich onder de gedingstukken nog een handgeschreven verklaring van 31 juli 2006, kennelijk van de van bewoner van het adres [adres 1], waarin is vermeld dat deze al zes jaar op dit adres woont en weet dat er op nummer [huisnummer] Hollandse mensen wonen. Niet bekend is wie dat zijn en dat (de persoon op) de getoonde foto niet bekend is. De Raad merkt op dat [adres 1] het adres is waarop verzoeker bij het College bekend is.

Uit het in [plaatsnaam] ingestelde buurtonderzoek kan niet worden afgeleid dat verzoeker zijn woonplaats in die gemeente heeft.

Tijdens zijn verhoor op 17 augustus 2006 heeft verzoeker - kort weergegeven - verklaard dat hij drie keer per week naar zijn vriendin in [plaatsnaam] gaat, maar dat [plaatsnaam] zijn woonplaats is. Aansluitend aan dit gesprek is op het adres [adres 1] een huisbezoek afgelegd. De bevindingen van dit huisbezoek, zoals neergelegd in het genoemde rapport van 18 augustus 2006, leiden de voorzieningenrechter niet zonder meer tot de conclusie dat verzoeker ten tijde hier van belang niet op dat adres woonachtig is.

Op grond van het vorenstaande is naar het oordeel van de voorzieningenrechter twijfel gerezen met betrekking tot de onderbouwing van het standpunt van het College dat verzoeker ten tijde hier van belang niet op het door hem bij het College opgegeven adres woonachtig was. Verder onderzoek is dan ook aangewezen. De voorlopige voorziening-procedure leent zich echter niet goed voor een dergelijk diepgaand onderzoek.

De (meervoudige kamer) van de Raad zal hierover een oordeel moeten geven.

Met ingang van 9 augustus 2006 is de eerder aan verzoeker verleende bijstand ingetrokken. Verzoeker, zo is ter zitting gesteld en niet door het College betwist, voorziet in de kosten van het bestaan door te lenen van zijn ouders. Voorts heeft hij een premie ontvangen in verband met de voorgenomen sloop van zijn woning. Van andere financiële middelen is niet gebleken. Onder deze omstandigheden acht de voorzieningenrechter voldoende termen aanwezig om te bepalen dat bij wijze van voorlopige voorziening het College aan verzoeker voorschotten verstrekt naar de voor hem geldende norm totdat door de Raad in de bodemprocedure is beslist met ingang van de datum van ontvangst van het verzoek om voorlopige voorziening, zijnde 7 maart 2007. Bevorderd zal worden dat de Raad de hoofdzaak zo spoedig mogelijk zal behandelen.

Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van verzoeker. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand. Ten slotte dient het griffierecht ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening te worden vergoed.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht toe, in die zin dat wordt bepaald dat het College aan verzoeker met ingang van 7 maart 2007 voorschotten ingevolge de WWB verstrekt naar de voor verzoeker geldende norm totdat door de Raad in de bodemprocedure zal zijn beslist;

Veroordeelt het College in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 644,-- te betalen door de gemeente Amsterdam aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan verzoeker het betaalde griffierecht van € 105,-- vergoed.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 april 2007.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) R.E. Lysen.