Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2292

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-03-2007
Datum publicatie
04-04-2007
Zaaknummer
06-2516 AOR
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betrokkene ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Geen deugdelijke motivering.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:3
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2516 AOR

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante] (hierna: appellante)

en

de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling (hierna: verweerster).

Datum uitspraak: 22 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 28 maart 2006, kenmerk 2386/CAOR, door verweerster genomen besluit ter uitvoering van de Algemene oorlogsongevallenregeling (hierna: AOR).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2007, waar appellante niet is verschenen. Verweerster heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door haar secretaris mr. L.H.G. Belleflamme alsmede door R.L.M.J. Gielen.

II. OVERWEGINGEN

Blijkens de gedingstukken heeft appellante, in 1936 geboren in het voormalige Nederlands-Indië, bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van voorzieningen ingevolge de AOR. In de loop van de procedure is daartoe - onder inzending van een tweetal getuigenverklaringen - onder meer gesteld:

- dat zij tijdens de Japanse bezetting razzia's door de Japanse militaire politie heeft meegemaakt in en rond het ouderlijk huis in hun toenmalige woonplaats Meester Cornelis waarbij haar grootvader gewelddadig is weggevoerd, dat het gezin waartoe zij behoorde gedwongen is geëvacueerd ten behoeve van de huisvesting van Japanse officieren en dat haar moeder en zijzelf zijn mishandeld door een Japanse schildwacht;

- dat het gezin tijdens de naoorlogse periode van ongeregeldheden (de zogenoemde Bersiap-periode) gedwongen is ondergebracht in de wijk Pelonia en dat zij daar onder meer vele lijken van door de extremisten vermoorde Nederlanders heeft zien drijven in de nabijgelegen rivier.

Bij besluit van 6 januari 2006, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster deze aanvraag afgewezen. Daartoe heeft verweerster in het bestreden besluit overwogen dat zij, ook na kennis genomen te hebben van de getuigenverklaringen, van oordeel blijft dat onvoldoende is komen vast te staan dat ten aanzien van appellante sprake is geweest van calamiteiten in de zin van artikel 1 van de AOR. Tevens is aangegeven dat appellante in bezwaar niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord omdat naar het oordeel van verweerster sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar in de zin als bedoeld in artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

In beroep heeft appellante de in bezwaar aangevoerde grieven gehandhaafd.

De Raad overweegt als volgt.

In Hoofdstuk II van de AOR is geregeld welke voorzieningen kunnen worden toegekend aan degenen aan wie enig oorlogsletsel is overkomen en hun nabestaanden. Ingevolge artikel 1 van de AOR - zoals aangevuld bij Ordonnantie van 5 november 1945 (Ned. Ind. Stb. 1946, 118) - wordt onder oorlogsletsel verstaan, voorzover hier van belang:

het lichamelijk, dan wel geestelijk letsel, ziekte daaronder begrepen, hetwelk aan een persoon is overkomen

- als gevolg van een actie van de vijand, van enige handeling of nalatigheid van een onderdeel of lid van de weermacht of van de burgerlijke hulpdiensten in tijd van feitelijke oorlog, dan wel van maatregelen of omstandigheden welke met de oorlogsvoering onverbrekelijk samenhangen;

- gedurende internering, krijgsgevangenschap, gedwongen tewerkstelling, of gedurende gevangenschap, vooronderzoek dan wel aanhouding, als gevolg van verdenking wegens daden, welke gericht waren tegen de bevelen van het Japanse bezettingsleger en niet vallen onder het gewone strafrecht;

- in de periode vanaf 15 augustus 1945 (tot 13 januari 1954, zoals later is bepaald) als gevolg van tegen hem gerichte actie van de bedrijvers van de ongeregeldheden, welke na de capitulatie van Japan in Nederlands-Indië zijn ontstaan, dan wel als gevolg van de maatregelen tot herstel van de orde en rust genomen.

Voorop gesteld wordt dat appellante, naar hiervoor al is vermeld, in bezwaar - ondersteund met getuigenverklaringen - een uitgebreide nadere toelichting heeft gegeven op haar oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië. Onder deze omstandigheden en gezien de inhoud van de toelichting kan niet worden gesproken van een kennelijk

- dat wil zeggen: al op het eerste gezicht - ongegrond bezwaar als bedoeld in artikel 7:3 van de Awb. Dit betekent dat verweerster ten onrechte appellante niet in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord.

Verder stelt de Raad vast dat noch in de motivering van het bestreden besluit, noch in enig voorbereidend schriftelijk stuk door of namens verweerster op enigerlei wijze een inhoudelijke beoordeling of waardering is gegeven van de door appellante in bezwaar aangevoerde calamiteiten, maar dat is volstaan met de hiervoor vermelde, algemeen gestelde, conclusie in het bestreden besluit. Verweerster heeft aldus (ook) niet voldaan aan het in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vervatte vereiste dat de beslissing op bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld.

Pas ter zitting van de Raad is namens verweerster gedetailleerd aangegeven - onder verwijzing naar een, niet op schrift gesteld advies van een geraadpleegde deskundige - waarom de door appellante genoemde oorlogservaringen, hoewel op zichzelf te brengen onder de werkingssfeer van de AOR, door verweerster niet zijn aanvaard. Deze nadere motivering is echter pas in een zodanig laat stadium gekomen dat - wat er ook van deze motivering zij - uit oogpunt van de belangen van appellante aan het vastgestelde motiveringsgebrek niet kan worden voorbijgegaan.

Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit wegens strijd met de hiervoor vermelde bepalingen van de Awb niet in stand kan blijven.

De Raad is, ten slotte, niet gebleken van door appellante gemaakte proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Bepaalt dat verweerster aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 38,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2007.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) W.M. Szabo.