Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2185

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-03-2007
Datum publicatie
04-04-2007
Zaaknummer
06-3505 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Is in dit geding van het juiste normbedrag uitgegaan voor een tegemoetkoming aan deelname aan het maatschappelijk verkeer (DMV)?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2007, 207
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3505 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 22 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 23 mei 2006, kenmerk JZ/E70/2005, ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-slachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2007. Aldaar is appellant verschenen bij gemachtigde

mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen. Verweerster heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door

A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, geboren [in] 1937, is bij besluit van verweerster van 11 mei 2005 op grond van psychische invaliditeit erkend als burgeroorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Blijkens de gedingstukken is daarbij aanvaard dat appellant direct betrokken is geweest bij bombardementen op Den Helder in 1940-1941. Bij genoemd besluit, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, is aan appellant naast een toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet onder meer op grond van artikel 33 van de Wet een tegemoetkoming toegekend in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer (DMV).

Appellant kan zich met de hoogte van de aan hem toegekende tegemoetkoming DMV niet verenigen.

De Raad overweegt als volgt.

Blijkens de gedingstukken en het behandelde ter zitting heeft verweerster de hoogte van de aan appellant toegekende tegemoetkoming DMV bepaald op het door haar in dat verband gehanteerde normbedrag van € 126,60 per maand. Verweerster heeft geen aanleiding gezien appellant in aanmerking te brengen voor een tegemoetkoming DMV naar het verhoogde normbedrag van € 166,- dat door verweerster gelet op de bijzondere positie van de Sinti en Roma alsmede hun traditioneel verhoogde vervoersbehoefte voor deze groepering wordt gehanteerd. Verweerster is tot dit standpunt gekomen, naar ter zitting nader is toegelicht, op de grond dat uitsluitend diegenen die op grond van vervolging als zigeuner als burger-oorlogsslachtoffer zijn erkend voor dit verhoogde normbedrag in aanmerking worden gebracht.

Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.

In artikel 33 van de Wet is bepaald dat een tegemoetkoming kan worden verleend in de ten laste van het burger-oorlogsslachtoffer blijvende kosten van voorzieningen, die verband houden met zijn oorlogsletsel en strekken ter verbetering van zijn levensomstandigheden.

Naar het oordeel van de Raad voorziet artikel 33 van de Wet naar zijn bewoordingen niet in de mogelijkheid om eenmaal als burger-oorlogsslachtoffer erkende personen bij de toekenning van voorzieningen wederom te beoordelen op de gebeurtenissen die hebben geleid tot deze erkenning. De tekst van dit artikel en de plaats die het in de Wet heeft gekregen brengen naar het oordeel van de Raad met zich mee dat al diegenen die als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet zijn erkend op gelijke wijze in aanmerking kunnen komen voor voorzieningen als hier bedoeld. Een andere benadering is naar het oordeel van de Raad in strijd met het beginsel dat gelijke gevallen gelijk dienen te worden behandeld.

In het geval van appellant, die blijkens de door hem overlegde beslissing van 29 april 2002 van de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma als rechtstreeks belanghebbende voldoet aan de criteria voor een uitkering door deze stichting, betekent het voorgaande dat hij evenals de andere Sinti en Roma voor het door verweerster bij toekenning van een voorziening DMV voor deze groepering gehanteerde hogere normbedrag in aanmerking dient te komen.

Het voorgaande betekent dat het beroep van appellant gegrond verklaard moet worden. De Raad zal toepassing geven aan artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en zelf in de zaak voorzien.

De Raad acht voorts termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en zal verweerster veroordelen in de proceskosten door appellant gemaakt in beroep en in bezwaar tot een bedrag van € 1.288,- aan kosten van juridische bijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de tegemoetkoming DMV is bepaald op € 126,60;

Bepaalt deze tegemoetkoming op € 166,-;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van appellant tot een bedrag van ?€ 1.288,-, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad aan de griffier van de Raad;

Gelast de Pensioen- en Uitkeringsraad het door appellant betaalde griffierecht van € 35,- te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2007.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) W.M. Szabo.