Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2179

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-03-2007
Datum publicatie
04-04-2007
Zaaknummer
05-6691 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening van besluit tot afwijzing van verzoek tot erkenning als burgeroorlogsslachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6691 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 22 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 9 november 2005, kenmerk JZ/O60/2005, ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2007. Aldaar is appellant in persoon verschenen, bijgestaan door F. Blommaert, wonende te Hoogvliet, als zijn raadsman. Voorts zijn als vanwege appellant meegebrachte getuigen verschenen en gehoord E.J. [G.], wonende te [plaatsnaam], en H.W.G. [S.], wonende te [O.]. Verweerster heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, geboren in 1942 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in december 2002 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslacht-offer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering. In dat verband heeft appellant aangevoerd dat hij tijdens de Bersiapperiode met het gezin waartoe hij behoorde door Brits-Indische militairen is geëvacueerd van de ouderlijke woning aan de Drossaertweg naar het 10e Bataljon te Batavia en dat deze evacuatie heeft plaatsgevonden onder levensbedreigende omstandig-heden en voorts dat hij is geïnterneerd in kamp Mendjangan oftewel de Muloschool. Bij besluit van 16 september 2003, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 december 2003, heeft verweerster de aanvraag van appellant afgewezen, aangezien niet was voldaan aan de in artikel 2, eerste lid, van de Wet gestelde voorwaarden voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer, omdat niet is gebleken dat appellant is getroffen door onder de Wet vallend oorlogsgeweld. Een door appellant tegen laatst genoemd besluit ingediend beroep is bij uitspraak van deze Raad van 6 januari 2005, reg. nr.03/6537 WUBO, ongegrond verklaard.

Bij schrijven van 6 mei 2005 heeft appellant bij verweerster herziening verzocht van vorengenoemd besluit van 22 december 2003. In dit verband heeft hij nogmaals gewezen op de gevaarlijke situatie aan de Drossaertweg en de levensbedreigende omstandigheden in het 10e Bataljon en hiertoe onder meer NEFIS rapportages uit 1945 ingestuurd. Verweerster heeft dit verzoek afgewezen bij besluit van 30 juni 2005, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op grond van de overweging dat appellant in het kader van zijn verzoek om herziening geen van belang zijnde nieuwe feiten of omstandigheden heeft vermeld.

De Raad heeft, gelet op hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd, te beoordelen of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Naar verweerster terecht heeft overwogen dient het inleidende verzoek van appellant van mei 2005 te worden aangemerkt als een verzoek om herziening als bedoeld in artikel 61, derde lid, van de Wet. Ingevolge deze bepaling is verweerster bevoegd, op daartoe door de belanghebbende gedaan verzoek een eerder door haar genomen besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, zodat de Raad de wijze waarop verweerster hiervan gebruik maakt met terughoudendheid dient te toetsen. Daarbij staat centraal de vraag of appellant bij zijn verzoek om herziening dan wel in bezwaar feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht die verweerster bij het nemen van haar eerdere besluit niet bekend waren en dat besluit in een zodanig ander licht plaatsen dat verweerster daarin aanleiding had moeten vinden dat besluit te herzien.

De Raad moet vaststellen dat appellant bij zijn herzieningsverzoek en in bezwaar tegen het besluit op dat verzoek, in wezen heeft herhaald wat hij reeds ter ondersteuning van zijn eerdere aanvraag heeft aangevoerd. De door appellant bij zijn verzoek gevoegde NEFIS rapportages waren ook reeds betrokken bij de besluitvorming door verweerster omtrent appellants eerdere aanvraag en hebben als zodanig ook bij de beroepsprocedure bij deze Raad een rol gespeeld. Weliswaar zijn thans in bezwaar nog enige getuigen-verklaringen ter beschikking gekomen, maar de Raad moet vaststellen dat uit deze verklaringen niet blijkt dat appellant tijdens zijn vlucht naar en verblijf in het 10e Bataljon heeft verkeerd in levensbedreigende omstandigheden. De getuigen verhalen over hun eigen oorlogservaringen, die weliswaar met die van appellant te vergelijken zijn, maar geen bevestiging vormen van hetgeen appellant stelt te hebben meegemaakt. Ook de verklaringen van de getuigen [G.] en [S.] ter zitting, die strikt genomen bij een verzoek om herziening tardief zijn ingebracht en derhalve buiten beschouwing dienen te blijven, kunnen niet tot een ander oordeel leiden, aangezien ook hieruit geen bevestiging is te verkrijgen van hetgeen appellant heeft meegemaakt, reeds omdat deze getuigen en appellant destijds niet met elkaar bekend waren.

Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat verweerster haar eerdere afwijzende besluiten had behoren te herzien.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar 22 maart 2007.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) W.M. Szabo.