Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2091

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-03-2007
Datum publicatie
03-04-2007
Zaaknummer
04-2150 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Psychische beperkingen onderschat? Toelichting in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/2150 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 maart 2004, nr. 03/4677 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv)

Datum uitspraak:16 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.M.M. Brouwer, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 10 april 2006 heeft het Uwv een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige C.G. Litjens van 6 april 2005 (lees: 2006), met bijlagen, in het geding gebracht.

Bij schrijven van 18 januari 2007 heeft het Uwv nadere stukken aan de Raad toegezonden met betrekking tot eventueel in de functionele mogelijkhedenlijst opgenomen ‘verborgen” beperkingen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2007. Namens appellante is bovengenoemde gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R.A.C. Rijk.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, werkzaam als tuinbouwmedewerkster, heeft zich in april 1996 ziek gemeld met klachten van voornamelijk psychische aard. Met ingang van 15 april 1997 is haar een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling is zij onderzocht door een verzekeringsarts van het Uwv, die blijkens diens rapport van 14 januari 2003, heeft geconstateerd dat appellante tevens enige fysieke klachten heeft (onder andere rugklachten) en na informatie bij de behandelend psycholoog van appellante, verbonden aan Parnassia psycho - medisch centrum te

Den Haag, te hebben ingewonnen, tot de conclusie is gekomen dat met name haar psychische situatie sedert de vorige beoordeling is verbeterd. Tevens heeft hij vastgesteld, dat zij in staat is om met aan haar – met name psychische – beperkingen aangepaste arbeid een inkomen te verdienen. Deze beperkingen heeft hij weergegeven op een functionele mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige heeft, naar uit zijn rapport van 6 februari 2003 blijkt, een aantal voor appellante geschikte functies geselecteerd, waarmee zij een zodanig inkomen kan verdienen dat haar mate van arbeidsongeschiktheid valt te stellen op minder dan 15 %. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 7 februari 2003 de WAO- uitkering van appellante per 7 april 2003 ingetrokken.

Namens appellante is bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Daarbij heeft zij gesteld, dat de ernst van haar psychische klachten is onderschat, dat de informatie die is ingewonnen niet afkomstig is van haar vaste behandelaar bij Parnassia en dat zij de geduide functies niet kan uitoefenen omdat zij de daartoe vereiste vooropleiding – MAVO- en VBO- niveau – mist.

De bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn is, blijkens zijn rapport van 7 oktober 2003, na informatie te hebben ingewonnen van mevr. B. Post, therapeutisch medewerkster van Parnassia – volgens appellante haar nieuwe vaste behandelaar –, tot de conclusie gekomen dat het primaire medisch oordeel adequaat is te achten, dat appellante ondanks haar psychische beperkingen in staat is tot het verrichten van arbeid en dat de oorspronkelijke FML gehandhaafd kan blijven. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 16 oktober 2003 vermeld, dat appellante op jonge leeftijd naar Nederland is gekomen en een aantal jaren basisonderwijs in ons land heeft gevolgd, zodat zij in staat moet worden geacht (twee) functies, waarvoor VBO- niveau is vereist, te vervullen, terwijl voor één functie in het geheel geen specifieke opleidingseis geldt ( twee andere functies op MAVO -niveau dienen te vervallen). Ook heeft hij na de geduide functies te hebben besproken met de verzekeringsarts, vastgesteld dat deze functies voldoen aan de voor appellante geldende beperkingen en dat het vervallen van enkele functies niet leidt tot een relevant verlies aan verdiencapaciteit. Bij besluit van 21 oktober 2003 (hierna het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Namens appellante is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij heeft zij in grote lijnen de eerder geuite grieven herhaald.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

In hoger beroep heeft appellante, onder verwijzing naar hetgeen eerder door haar is gesteld, nogmaals benadrukt dat vooral haar psychische klachten zijn onderschat en dat een nader onderzoek naar de ernst van die klachten ingesteld zou moeten worden. Ook meent zij, dat zij de functies die uiteindelijk aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, niet kan uitoefenen.

De Raad oordeelt als volgt.

Appellante beroept zich met betrekking tot de ernst van haar klachten (kennelijk) op de informatie van mevr. Post voornoemd. In deze – overigens zeer summiere – informatie wordt weliswaar gesproken van een posttraumatische stressstoornis en een depressie, maar uit deze informatie kan in het geheel niet worden afgeleid of en zo ja in hoeverre zulks haar belet om arbeid in enige vorm te verrichten. Uit hetgeen overigens aan (medische) gegevens voorhanden is kan niet de conclusie worden getrokken, dat het Uwv haar ten onrechte in staat heeft geacht - in aanmerking genomen dat een niet gering aantal beperkingen van psychische aard in de FML is opgenomen - tot het verrichten van eenvoudig productiewerk dat aan haar beperkingen is aangepast. Voor een nader onderzoek door een deskundige ziet de Raad geen aanleiding.

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit merkt de Raad allereerst op, dat er geen reden is om de stelling van de bezwaararbeidsdeskundige in diens rapport van 16 oktober 2003 dat het gaat om fysiek lichte arbeid zonder dwingend of hoog handelingstempo voor onjuist te houden. Ook is niet gebleken dat appellante qua opleiding de geduide functies niet zou kunnen uitoefenen. Ook overigens acht de Raad de arbeidskundige grondslag van de schatting voldoende deugdelijk. Wel moet hierbij worden aangetekend, dat in laatst vermeld arbeidskundig rapport weliswaar enige toelichting op de zwaarte van de geselecteerde functies wordt gegeven, maar dat eerst het in hoger beroep overgelegde rapport van 6 april 2005 (lees: 2006) een toelichting – ook wat betreft de aan de functies verbonden fysieke belasting – verschaft die voldoet aan de in de jurisprudentie van de Raad ontwikkelde eisen; verwezen zij in dit verband onder andere naar de uitspraak van de Raad van 19 november 2004, LJN AR4716.

Het voorgaande betekent dat, in de lijn van laatst vermelde uitspraak, het bestreden besluit wegens een ontoereikende motivering voor vernietiging in aanmerking komt en dat ook de aangevallen uitspraak vernietigd dient te worden. De Raad ziet aanleiding de rechtsgevolgen van het aldus vernietigde besluit in stand te laten.

De Raad acht termen aanwezig om het Uwv met toepassing van het bepaalde in artikel

8: 75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep te begroten op € 644,- respectievelijk € 644,-, in totaal € 1288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 133,- (€ 31,- en € 102,-) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J. Brand en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2007.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.