Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2008

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-03-2007
Datum publicatie
02-04-2007
Zaaknummer
05-2210 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2210 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 11 maart 2005, 04/872 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.I. Piternella, advocaat te Dongen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2007. Voor appellante is verschenen mr. Piternella. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.M. van Hees.

II. OVERWEGINGEN

Appellante was werkzaam als taxi-chauffeur toen zij op 5 november 2002 uitviel met een scheurtje in haar linkerpols. Daarna ontwikkelde zij vermoeidheidsklachten. Na het bereiken van de voorgeschreven wachttijd van 52 weken weigerde het Uwv bij besluit van 3 november 2003 appellante met ingang van 31 oktober 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen omdat appellante op dat moment minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 november 2003 verklaarde het Uwv ongegrond bij besluit van 18 maart 2004 (het bestreden besluit). De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.

In hoger beroep heeft appellante haar eerder in de bezwaar- en beroepsprocedure ingenomen standpunt herhaald dat zij in het geheel geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft.

De Raad overweegt als volgt.

In het kader van de medische beoordeling bij het einde van de wachttijd heeft een verzekeringsarts aangenomen dat appellante beperkt belastbaar is voor zwaardere lichamelijke arbeid en voor werkzaamheden waarbij een goede concentratie is vereist. In haar rapport van 8 oktober 2003 heeft de verzekeringsarts aangegeven dat appellante voor de vermoeidheidsklachten uitvoerig is onderzocht door een internist en een longarts en dat zij zal worden onderzocht door een neuroloog. Tot dat moment is geen lichamelijke oorzaak voor de vermoeidsheidsklachten van appellante gevonden. De verzekeringsarts heeft aangegeven dat wel sprake is van consistentie in de klachten, een stoornis en beperkingen, echter niet in die mate waarin appellante zich dat voorstelt. De verzekeringsarts heeft tevens de in het kader van de reïntegratie-activiteiten van de arbodienst ontvangen informatie bestudeerd. De bezwaarverzekeringsarts heeft geen aanleiding gezien voor aanpassing van de door de verzekeringsarts vastgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de in beroep door appellante in geding gebrachte brieven van neuroloog H. Wouters van 14 november 2003 en 16 december 2004, waaruit blijkt dat appellante niet lijdt aan een slaapapneusyndroom, maar tijdens haar slaap wel veel beenbewegingen maakt, geduid als het P.L.M. syndroom, dat zij goed heeft gereageerd op de voorgeschreven medicatie en dat zij uit controle van de neuroloog is ontslagen, geen aanleiding geven voor twijfel aan de bevindingen van de verzekeringsartsen.

In hoger beroep heeft appellante nog verklaringen in geding gebracht van haar longarts dr. A.J.M. van Boxem en haar orthopedisch chirurg E.L. Hoffman. Met de bezwaarverzekeringsarts is de Raad van oordeel dat deze informatie eveneens geen aanleiding geeft voor twijfel aan de juistheid van de eerder vastgestelde FML. Met de vermoeidheidsklachten van appellante, die mogelijk samenhangen met slaapproblemen, is rekening gehouden bij de vaststelling van de FML. De informatie van Van Boxem, waaruit wellicht achteraf beter kan worden vastgesteld wat destijds mogelijk de oorzaak van die slaapproblemen was, geeft geen aanleiding voor het aannemen van meer beperkingen ten gevolge van de slaapproblemen. Uit de informatie van Hoffman van 18 januari 2007 blijkt dat appellante inmiddels ook bekend is met artrose van haar knie. Dit nieuwe en niet eerder bekende gegeven heeft geen betrekking op de datum in geding en kan dus voor de onderhavige medische beoordeling geen betekenis hebben.

De Raad concludeert dat het bestreden besluit op een juiste medische grondslag berust.

Met inachtneming van de voor appellante geldende belastbaarheid moet zij in staat worden geacht de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te verrichten. Het Uwv heeft reeds in de bezwaarfase op afdoende wijze gemotiveerd dat de belasting in de functies de belastbaarheid van appellante niet te boven gaat. Het mediaanloon in deze functies, afgezet tegen het maatmaninkomen van appellante, laat geen verlies aan verdiencapaciteit zien, zodat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het beroep van appellante ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en M.C. Bruning en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2007.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) W.R. de Vries.

JL