Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA2004

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-03-2007
Datum publicatie
02-04-2007
Zaaknummer
06-1475 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet toekennen van de partnertoeslag. Ingangsdatum van de toekenning van de één-oudertoeslag. Onbekendheid met de wettelijke regeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1475 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 januari 2006, 04/693 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 30 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. Oosterveen, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A. Rodríguez González, kantoorgenoot van mr. Oosterveen. De IB-Groep was vertegenwoordigd door drs. P.M.S. Slagter.

II. OVERWEGINGEN

Aan appellant is per 1 september 2000 studiefinanciering toegekend in de vorm van een basisbeurs en een aanvullende beurs.

Via een formulier wijziging student van 11 mei 2004 heeft appellant verzocht om toekenning van een partnertoeslag over de periode van 14 februari 2000 tot 24 februari 2004 en een één-oudertoeslag met ingang van laatstgenoemde datum.

Bij besluit van 14 mei 2004 is aan appellant met ingang van 1 mei 2004 een toeslag voor een één-oudergezin toegekend.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het niet toekennen van de partnertoeslag en tegen de ingangsdatum van de toekenning van de één-oudertoeslag. Hij heeft in zijn bezwaarschrift aangegeven dat hij niet eerder gebruik heeft gemaakt van het recht op partnertoeslag respectievelijk één-oudertoeslag omdat hij niet op de hoogte was van zo’n regeling.

Bij beslissing op bezwaar van 18 juni 2004 (hierna: bestreden besluit) heeft de IB-Groep het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 mei 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is – kort samengevat – tot het oordeel gekomen dat het bestreden besluit is genomen in overeenstemming met het dwingendrechtelijk bepaalde in de artikelen 1.2 en 3.21 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) en dat het beroep van appellant op de hardheidsclausule niet slaagt.

In hoger beroep heeft appellant zich primair op het standpunt gesteld dat hij wel degelijk tijdig om de toeslagen heeft verzocht en subsidiair dat er reden is voor toepassing van de hardheidsclausule.

De Raad overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 1.2 van de Wsf 2000 is voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet bepalend de toestand op de eerste dag van de maand, tenzij anders is bepaald.

Artikel 3.4, eerste lid, van de Wsf 2000 bepaalt dat aan een studerende met een partner die financieel van hem afhankelijk is en die niet in aanmerking komt voor studiefinanciering, een toeslag voor een partner wordt toegekend. Ingevolge het tweede lid van artikel 3.4 van de Wsf 2000 wordt uitsluitend als financieel afhankelijk aangemerkt de partner die, naast een nader omschreven maximaal inkomen, de verzorging heeft van een of meer kinderen jonger dan 12 jaar waarvoor aanspraak op kinderbijslag bestaat.

Ingevolge het eerste lid van artikel 3.5 van de Wsf 2000 wordt aan een studerende zonder partner die een of meer kinderen heeft jonger dan 18 jaar die niet tot het huishouden van een ander behoren, voor wie deze aanspraak op kinderbijslag heeft, een toeslag voor een één-oudergezin toegekend.

Artikel 3.21, derde lid, aanhef en onder c en d, van de Wsf 2000 bepaalt dat aan de studerende die reeds studiefinanciering ontvangt en een aanvraag heeft ingediend om in aanmerking te komen voor een toeslag voor een partner of een toeslag voor een één-oudergezin, de verhoging van de studiefinanciering niet wordt toegekend voor een periode gelegen voorafgaand aan de maand waarin de aanvraag is ingediend.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:3 van de Wsf 2000, juncto artikel 2.1 van de Regeling studiefinanciering 2000 worden de gegevens die nodig zijn voor de toekenning van de studiefinanciering door de studerende uitsluitend verstrekt door invulling en inlevering van daartoe bestemde door de IB-Groep te verstrekken formulieren. De Raad is niet gebleken van een eerdere aanvraag om toekenning van een partnertoeslag en één-oudertoeslag dan bij formulier wijziging student van 11 mei 2004.

Uitgaande van de datum aanvraag 11 mei 2004 is in het bestreden besluit volledig in overeenstemming met het dwingendrechtelijke artikel 3.21, derde lid, van de Wsf 2000, geweigerd aan appellant een partnertoeslag toe te kennen en eerst met ingang van 1 mei 2004 aan appellant een één-oudertoeslag toegekend.

Ingevolge artikel 11.5 van de Wsf 2000 (de hardheidsclausule) is de IB-Groep bevoegd om van de wet af te wijken indien en voor zover toepassing ervan leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

De Raad is in het onderhavige geval niet gebleken dat zich individuele omstandigheden van bijzondere aard voordoen op grond waarvan de IB-Groep niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om toepassing te geven aan de hardheidsclausule.

De omstandigheid dat het destijds op 7 mei 2000 door appellant ondertekende aanvraagformulier om toekenning van studiefinanciering niet voorzag in de mogelijkheid om aan te geven dat appellant gehuwd was, zonder kinderen, levert geen bijzondere omstandigheid in vorenbedoelde zin op. Het gegeven dat appellant ten tijde van zijn initiële aanvraag gehuwd was genereert gezien het bepaalde in artikel 3.4 van de Wsf 2000 immers nog geen recht op partnertoeslag. Eerst na de geboorte van zijn eerste kind op 5 februari 2001 had appellant – indien ook aan de overige voorwaarden was voldaan – recht kunnen doen gelden op een partnertoeslag.

Appellants beroep op schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel faalt eveneens.

Appellant heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat hij meermalen aan medewerker(s) van de IB-Groep mondeling heeft medegedeeld dat hij gehuwd was en (een) kind(eren) had en hij toen nimmer is gewezen op de mogelijkheid van een partner- respectievelijk één-ouder toeslag, alsmede dat hij door de IB-Groep ook niet anderszins is geïnformeerd over het bestaan van bedoelde toeslagen. Voorts heeft hij naar voren gebracht dat zijn herhaaldelijk aan (een) medewerker(s) van de IB-Groep gestelde vraag of hij niet een aanvulling op zijn beurs kon krijgen omdat hij gehuwd was en (een) kind(eren) had, ontkennend is beantwoord omdat hij volgens die medewerker(s) al een maximale beurs had. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant in hoger beroep een verklaring van de [getuige] gedateerd 25 februari 2006, overgelegd.

De Raad overweegt terzake dat appellant zich eerst ter zitting in beroep en in hoger beroep op onjuiste informatieverstrekking door (een) medewerker(s) van de IB-Groep heeft beroepen. De Raad merkt op dat appellant in zijn bezwaarschrift als reden voor de late aanvraag nog louter onbekendheid met de wettelijke regeling heeft gegeven.

Gezien het tijdstip in de procedure waarin appellant de grief ten aanzien van de onjuiste informatieverstrekking voor het eerst heeft geuit en de verklaring van D. Yilmaz naar voren heeft gebracht, alsmede gezien het van de zijde van de IB-Groep gevoerde adequate verweer in hoger beroep, is naar het oordeel van de Raad bepaald onvoldoende aannemelijk geworden dat appellant door de IB-Groep met betrekking tot het recht op partner- en één-oudertoeslag op het verkeerde been is gezet.

De Raad overweegt verder dat hij geen aanknopingspunten ziet voor de stelling dat de IB-Groep tekort is geschoten in de informatievoorziening omtrent het bestaan van recht op partnertoeslag en één-oudertoeslag.

Het lag op de weg van appellant zelf om zich tijdig via brochures dan wel anderszins ervan te vergewissen of hij in zijn situatie recht op aanvullende studiefinanciering had.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2007.

(get.) J. Janssen.

(get.) M. Gunter.

JL