Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1999

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2007
Datum publicatie
02-04-2007
Zaaknummer
03/2354 WAO + 05/2770 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/2354 WAO + 05/2770 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Utrecht van 1 april 2003, 02/992 (hierna: uitspraak I) en 20 april 2005, 04/1153 (hierna: uitspraak II),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft dr. mr. drs. D.S. Rambocus, verzekeringsarts en jurist te Utrecht, tegen uitspraak I hoger beroep ingesteld. Tegen uitspraak II heeft appellant zelf hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft in beide gedingen een verweerschrift ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft in de gedingen gevoegd plaatsgevonden op

16 december 2005, waar appellant bij zijn opvolgend gemachtigde mr. J.Th.A. Bos, advocaat te Utrecht, is verschenen en waar het Uwv zich, met schriftelijke kennisgeving, niet heeft laten vertegenwoordigen.

Omdat het onderzoek niet volledig bleek te zijn, heeft de Raad dit heropend.

Appellant heeft, door de Raad desverzocht, nadere van zijn behandelende artsen ontvangen medische gegevens ingezonden.

Vervolgens heeft op verzoek van de Raad dr. N. van Zandwijk, hoofd van de afdeling Thorax Oncologie van het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis, bij rapport van

4 augustus 2006 en bij brief van 17 november 2006 van verslag en advies gediend omtrent een aantal ten aanzien van de gezondheidstoestand van appellant en zijn mogelijkheden om arbeid te verrichten gerezen vragen.

Op het rapport van 4 augustus 2006 heeft het Uwv bij brief van 4 oktober 2006, onder overlegging van een commentaar van de bezwaarverzekeringsarts O.J. van Kempen, gereageerd.

Het onderzoek ter zitting is in beide gedingen hervat op 26 januari 2007, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bos, voornoemd, als zijn raadsman en waar het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.H.J. van Kuilenburg.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, geboren [in] 1946, heeft op 5 juni 1998 zijn werkzaamheden als magazijnmedewerker als gevolg van een bedrijfsongeval gestaakt. Na ommekomst van de wettelijke wachttijd van 52 weken is aan hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij het thans bestreden en op bezwaar genomen besluit van 8 april 2002 (besluit I) heeft het Uwv het besluit van 21 december 2001 gehandhaafd, waarbij de uitkering van appellant per 20 november 2001 is herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Het beroep tegen dit besluit heeft de rechtbank bij uitspraak I ongegrond verklaard.

Bij brief van 28 augustus 2003 heeft appellant zich vanwege een op 12 augustus 2003 plaatsgevonden ziekenhuisopname en nadien vastgestelde polymyositis en longcarcinoom toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Bij het thans bestreden en op bezwaar genomen besluit van 22 maart 2004 (besluit II) heeft het Uwv de bij besluit van 5 december 2003 gedane weigering gehandhaafd om de WAO-uitkering van appellant, nadat de nieuw ingetreden arbeidsongeschiktheid vier weken had geduurd, te herzien, omdat de toegenomen arbeidsongeschiktheid het gevolg was van een andere oorzaak. Het beroep tegen dit besluit heeft de rechtbank bij uitspraak II ongegrond verklaard.

Naar aanleiding van de inhoud van het rapport van 4 augustus 2006 van de door de Raad geraadpleegde deskundige Van Zandwijk heeft het Uwv bij brief van 4 oktober 2006 bericht niet langer het standpunt in te nemen dat de op 12 augustus 2003 toegenomen arbeidsongeschiktheid van appellant uit een andere oorzaak voortvloeit en dat mitsdien besluit II niet wordt gehandhaafd.

Gelet hierop komt dit besluit, nu daaraan een draagkrachtige motivering is komen te ontvallen, met uitspraak II, waarbij dit besluit in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking.

Uit het vorenstaande vloeit tevens voort, gelijk ook aan het commentaar van 3 oktober 2006 van de bezwaarverzekeringsarts Van Kempen op het rapport van 4 augustus 2006 van de deskundige Van Zandwijk valt te ontlenen, dat het Uwv

onderschrijft dat de door appellant in het jaar 2001 ondervonden malaise- en spierklachten voor een belangrijk deel het gevolg zijn van de in 2003 gediagnosticeerde polymyositis.

In zijn brief van 17 november 2006 heeft de deskundige Van Zandwijk aangegeven zich niet te kunnen verenigen met het door de verzekeringsarts opgestelde beperkingenpatroon van 16 oktober 2001, dat mede aan besluit I ten grondslag ligt. Naar het oordeel van de deskundige Van Zandwijk was er toen sprake van een ernstige polymyositis, waarbij hij zich heel goed kan voorstellen dat dit een volledige arbeidsongeschiktheid zou kunnen verklaren.

Ter zitting van de Raad is namens het Uwv hiertegen ingebracht dat de deskundige

Van Zandwijk zijn stelling dat hij zich niet kan verenigen met het beperkingenpatroon niet nader heeft geadstrueerd, zodat dit geen aanleiding geeft een ander standpunt in te nemen.

De Raad volgt het Uwv hierin niet. Voor de Raad is voldoende aannemelijk dat de medische beperkingen van appellant bij het nemen van besluit I zijn onderschat.

Daartoe neemt de Raad in aanmerking dat aan het aan besluit I ten grondslag liggende rapport van de arts I.V. Narimanov en de verzekeringsarts L. ten Hove van 16 oktober 2001 valt te ontlenen dat appellant bij hen bekend was met diarreeklachten en een trauma van de rechterduim en dat hij voor onder meer rechterduimbelastende werkzaamheden beperkt werd geacht. De arbeidsdeskundige M.J. van Sijl is daarop bij rapport van 20 november 2001 tot de conclusie gekomen dat appellant vanwege de bij hem bestaande medische beperkingen met name beperkt was voor zwaar fysieke arbeid. Bij deze inschatting van appellants arbeidsvermogen waren de betrokken artsen evenwel niet op de hoogte, c.q. konden zij niet op de hoogte zijn, van de nadien gestelde en door de deskundige Van Zandwijk als ernstig aangemerkte diagnose polymyositis. Nu deze deskundige, zoals hiervoor al is vermeld, van oordeel is dat ten tijde hier in geding de medische toestand van appellant al zodanig was dat die mogelijk in het geheel niet met het verrichten van arbeid te verenigen was, is het onaannemelijk dat de aangenomen beperkingen met betrekking tot zwaar lichamelijke arbeid en rechterduimbelastende werkzaamheden een juiste weergave behelzen van de voor appellant geldende belastbaarheid. Van de zijde van de bezwaarverzekeringsarts is ook niet nader schriftelijk geadstrueerd waarom de zienswijze van de deskundige Van Zandwijk niet gevolgd kan worden.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de medische beperkingen van appellant bij besluit I zijn onderschat en dat dit besluit mitsdien op een ondeugdelijke medische grondslag berust.

Hetgeen het Uwv ter zitting van de Raad heeft aangevoerd met betrekking tot de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, behoeft, wat daar verder ook van zij, geen bespreking omdat daarbij is uitgegaan van de hiervoor al als ondeugdelijk aangemerkte medische grondslag.

Gelet op het hiervoor overwogene komt uitspraak I waarbij besluit I in stand is gelaten, eveneens voor vernietiging in aanmerking.

Het Uwv zal met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen nieuwe besluiten dienen te nemen op de bezwaren van appellant.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv in beide gedingen te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden in het geding met betrekking tot besluit I begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg. Van in eerste aanleg gemaakte en voor vergoeding in aanmerking komende kosten met betrekking tot besluit II is de Raad niet gebleken. In hoger beroep begroot de Raad, mede lettend op de gevoegde behandelingen van de gedingen ter zitting, de proceskosten op € 966,- voor verleende rechtsbijstand en op € 147,60 ter zake van door appellant ingewonnen medische inlichtingen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraken van 1 april 2003 en 20 april 2005;

Verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten van 8 april 2002 en 22 maart 2004

gegrond en vernietigt deze besluiten;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

nieuwe besluiten op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

in de proceskosten van appellant in beide gedingen in eerste aanleg en in hoger beroep tot

een bedrag groot € 1435,60, te betalen door het Uitvoeringsinstituut

werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde

griffierecht van € 256,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2007.

(get.) DJ. van der Vos.

JK/2022007

(get.) W.R. de Vries.