Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1977

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2007
Datum publicatie
30-03-2007
Zaaknummer
05-1918 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Passendheid functies in medisch opzicht. Prikkelarme omgeving. CBBS. Eisen aan motivering.

Redelijke termijn.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1918 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 februari 2005, 04/693 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.J.M. de Leest, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Als bijlage is bij het hoger beroepschrift gevoegd een rapportage van

J. Kijvekamp, geregistreerd arbeidsdeskundige, gedateerd 29 maart 2005.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij ingezonden een reactie op voornoemd rapport van de bezwaararbeidsdeskundige J. den Hartog van 19 mei 2005.

Daarna hebben de arbeidsdeskundige Kijvekamp en bezwaararbeidsdeskundige Den Hartog over en weer gereageerd bij rapporten van 6 juni 2005 en 12 december 2005, respectievelijk 17 november 2005.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2007. Namens appellante is verschenen mr. J.M. Walther, kantoorgenoot van de gemachtigde van appellante. Het Uwv heeft zich, met bericht van verhindering, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante was werkzaam als grafisch ontwerpster voor 32 uur per week. Zij is op

7 maart 2002 uitgevallen met surménageklachten, onder andere bestaande uit concentratiestoornissen, prikkelbaarheid en vermoeidheid. Deze klachten zijn, naar appellante heeft gesteld, terug te voeren op een ongeval in 1987 waarbij appellante hersenletsel heeft opgelopen. Bij besluit van 25 maart 2003 heeft het Uwv geweigerd appellante een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen onder de overweging dat appellante na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken op 5 maart 2003, minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

Tegen voornoemd besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. De bezwaarverzekeringsarts H.M.Th. Offermans is, blijkens zijn rapport van 8 december 2003, na kennisname van het bezwaarschrift, het dossier en de aanvullende informatie van de behandelende revalidatiearts, tot de conclusie gekomen dat de beperkingen zoals weergegeven in de functionele mogelijkheden lijst (FML) onvoldoende recht doen aan de medische situatie van appellante zoals deze uit de neuropsychologische onderzoeken naar voren komt. Met name moeten de beperkingen t.a.v. langdurig concentreren en verdelen van de aandacht als ernstiger worden ingeschat dan de FML aangeeft. De bezwaarverzekeringsarts Offermans heeft de FML op deze punten aangepast. De bezwaararbeidsdeskundige

R.B. van Vliet heeft vervolgens nieuwe functies geselecteerd. Aan de hand van de functies: medewerker bank, kassier bank met SBC-Code 516070 (hierna: administratief medewerker), machinebediende kunststofverwerkende industrie met SBC-code 271092 (hierna: productiemedewerker kunststof) en productiemedewerker textiel, geen kleding met SBC-code 272043 (hierna: productiemedewerker textiel) heeft hij, zoals blijkt uit zijn rapport van 30 december 2003, de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 25 tot 35%. Bij besluit van 20 februari 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard en appellante met ingang van 6 maart 2003 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35% toegekend.

Appellante heeft beroep ingesteld. Naar aanleiding van het beroepschrift en nadere vragen van de rechtbank, hebben de bezwaarverzekeringsarts C.J. van der Valk en de bezwaararbeidsdeskundigen J.C.M. Horeman en J. den Hartog met hun rapportages van

8 september 2004 en 7 december 2004 respectievelijk 24 september 2004 en 21 december 2004, nader toegelicht waarom de geduide functies passen binnen de vastgestelde FML.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit vernietigd, voorzover het de arbeidskundige beoordeling betreft. De rechtbank heeft het beroep voor het overige ongegrond verklaard en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tevens zijn bepalingen met betrekking tot het vergoeden van proceskosten en betaald griffierecht gegeven. Ten aanzien van de medische beoordeling was de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten waren om aan te nemen dat de (bezwaar)verzekeringsartsen de belastbaarheid van appellante hebben overschat. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 9 november 2004, LJN: AR4721, heeft de rechtbank ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling overwogen dat het bestreden besluit ontoereikend is gemotiveerd omdat de bezwaararbeids-deskundige in zijn rapportage van 30 december 2003 niet voldoende heeft toegelicht waarom de door hem geduide functies aan de schatting ten grondslag mogen worden gelegd. De rechtbank zag evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand worden gelaten omdat het Uwv met de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundigen J.C.M. Horeman van 24 september 2004 en van

J. den Hartog van 21 december 2004 het besluit alsnog heeft voorzien van de ontbrekende toelichting.

Het hoger beroep van appellante richt zich, zoals haar gemachtigde ter zitting heeft bevestigd, uitsluitend tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen en het oordeel van de rechtbank dat de bezwaararbeidsdeskundigen afdoende gemotiveerd hebben waarom de geduide functies geschikt zijn voor appellante. De Raad zal zich dan ook beperken tot dit punt van geschil. Appellante is van mening dat evenbedoelde motivering niet voldoende is. Ter onderbouwing van haar stellingen heeft appellante de in rubriek I genoemde rapporten van Kijvekamp ingebracht.

In geding is derhalve de vraag of de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 20 februari 2004 terecht in stand heeft gelaten. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

De beperkingen van appellante liggen vooral op het vlak van persoonlijk en sociaal functioneren, aanpassing aan fysieke omgevingseisen en op het gebied van werktijden. Uit de toelichting die de bezwaarverzekeringsarts Offermans in de FML op een aantal beperkingen heeft gegeven blijkt onder meer dat langdurige concentratie leidt tot overbelasting en versnelde vermoeidheid (item 1.1. concentreren van de aandacht); dat een prikkelarme omgeving noodzakelijk is en er geen sprake mag zijn van voortdurende en/of snel wisselende bewegende beelden waaruit informatie moet worden afgeleid (item 2.1. zien); dat appellante niet goed kan functioneren in een lawaaiige omgeving (item 2.2. horen); dat op de werkplek voldoende rust dient te worden gegarandeerd, dat dit niet zonder meer betekent dat een solitaire plek is vereist, maar wel dat de werkplek voldoende mogelijkheden biedt om overprikkeling te voorkomen (item 2.12. specifieke voorwaarden voor het sociaal functioneren in arbeid) en dat appellante overgevoelig is voor geluid, zowel qua volume als veel geluiden door elkaar (item 3.7. geluidsbelasting).

In zijn rapportage van 29 maart 2005 heeft de arbeidsdeskundige Kijvekamp de geduide functies geanalyseerd. Zijns inziens is de belasting in de functies niet in overeenstemming met de beperkingen in het persoonlijk functioneren, in het bijzonder op het vereiste van een prikkelarme werkomgeving. Uit de beschrijvingen van alle drie de functies blijkt dat zij uitgeoefend moeten worden in een grote open ruimte (kantoorruimte of fabriekshal) waar meerdere mensen werken. In de functie administratief medewerker is er sprake van veel geluiden door elkaar van mensen die bellen, overleggen en “social talks” voeren. In de functies productiemedewerker kunststof en productiemedewerker textiel is daarnaast sprake van machinelawaai. Bovendien is het in dergelijke functies niet ongebruikelijk dat de gehele dag de radio aanstaat. Kijvekamp acht de functie administratief medewerker ook te belastend omdat in deze functie overwegend zeer geconcentreerd gewerkt moet worden en er zeer veel verschillende deeltaken moeten worden uitgevoerd zodat niet gesproken kan worden van routinematig werk. Kijvekamp merkt op dat in dergelijke functies weliswaar wordt gewerkt vanaf één terminal maar dat het gebruikelijk is dat er wordt gewerkt met programmatuur waarbij telkens van programma en of scherm wordt gewisseld of meerdere schermen tegelijk open zijn. Het betreft een bancaire functie waarbij letterlijk met geld wordt gewerkt en fouten directe gevolgen hebben voor de cliënten van de bank, zodat een goede taakuitvoering meer dan een zekere mate van oplettendheid vereist. De meeste handelingen zijn kortdurend en dientengevolge zal de frequentie waarmee van beeld wordt gewisseld hoog zijn.

De bezwaarverzekeringsartsen en de bezwaararbeidsdeskundigen hebben in hun reacties op de rapporten van Kijvekamp benadrukt dat de functies voldoen. Zij hebben gewezen op de omstandigheid dat een solitaire werkplek niet zonder meer is vereist en omgevingsgeluiden met diverse middelen kunnen worden gereduceerd. Tegen het dragen van gehoorbescherming door appellante bestaat volgens bezwaarverzekeringsarts

C.J. van der Valk geen bezwaar. Over de geluidssterkte van de radio kunnen onderlinge afspraken gemaakt worden. Ten aanzien van het aspect concentratie in de functie administratief medewerker heeft de bezwaararbeidsdeskundige Den Hartog aangegeven dat een nieuwe medewerker niet in een keer alle 38 deeltaken hoeft te kunnen beheersen en er sprake is van een geleidelijke opbouw in twee jaar.

Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv met de reacties en toelichtingen van de bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundigen de kritiekpunten van Kijvekamp niet kunnen weerleggen. Met de vaststelling dat een solitaire werkplek niet is vereist, is onvoldoende toegelicht waarom het werken in een open kantoorruimte of fabriekshal in overeenstemming is met de beperking dat er sprake moet zijn van een prikkelarme werkomgeving waarin voldoende rust is gegarandeerd. Daarbij heeft de Raad in overweging genomen dat appellante is uitgevallen uit een werksituatie waarin zij in een kantoortuinachtige omgeving werkte.

Ook het argument dat omgevingsgeluiden met diverse middelen kunnen worden gereduceerd overtuigt de Raad niet zonder meer. De Raad wijst in dit verband op de rapportage van Kijvekamp van 12 december 2005 waarin hij heeft opgemerkt dat bij gebruikmaking van gehoorbescherming appellante niet in staat is akoestische signalen met het oog op veiligheid te horen en dat zij, door het als enige dragen van gehoorbescherming, in sociaal opzicht buiten de groep wordt geplaatst.

Op grond van het vorenstaande, bezien in het licht van de in meergenoemde uitspraak van de Raad van 9 november 2004 neergelegde hogere eisen die moeten worden gesteld aan de verslaglegging en motivering van schattingsbesluiten met behulp van het CBBS, is de Raad van oordeel dat de onderhavige schatting een nog als toereikend aan te merken niveau van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid ontbeert. Dit betekent dat de rechtbank de rechtsgevolgen ten onrechte in stand heeft gelaten en het hoger beroep in zoverre slaagt.

De gemachtigde van appellante heeft zich ter zitting van de Raad nog op het standpunt gesteld dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoel in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, Trb. 1951, 154; 1990, 156 (EVRM). De gemachtigde heeft daartoe aangevoerd dat zijn grief zich uitsluitend richt tegen het aandeel van de bestuursrechter(s) en de redelijke termijn een aanvang heeft genomen op het moment dat appellante beroep heeft ingesteld. De Raad kan de gemachtigde hierin niet volgen. Volgens vaste jurisprudentie vangt de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM aan op het moment dat er – op zijn minst – een standpunt van het bestuursorgaan ligt, waarvan duidelijk is dat de betrokkene dit wil aanvechten. Doorgaans zal dit zijn op het moment waarop een bezwaarschrift wordt ingediend tegen het primaire besluit of tegen het uitblijven daarvan. De Raad ziet geen aanleiding in casu van dit uitgangspunt af te wijken. De redelijke termijn is derhalve gaan lopen op het moment waarop appellante bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 25 maart 2003, te weten op 2 mei 2003. Met betrekking tot de rechterlijke behandeling van de zaak stelt de Raad voorop dat de procedure in zijn geheel, tot en met de uitspraak van de Raad, bijna vier jaar heeft geduurd. Het rechterlijk aandeel hierin is iets meer dan 3 jaar. Van een overschrijding van de redelijke termijn is naar het oordeel van de Raad, alles afwegende, in dit geval geen sprake.

Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voorzover de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten en dat het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen. Voor het overige dient de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten te worden bevestigd.

Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze worden begroot op € 644,- als kosten voor verleende rechtsbijstand. Tevens komen voor vergoeding in aanmerking de kosten van de in hoger beroep ingebrachte rapportages van de arbeidsdeskundige Kijvekamp van 29 maart 2005, 6 juni 2005, en 12 december 2005. Gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht komt Kijvekamp bij een bestede tijd van in totaal 13 uur een forfaitaire vergoeding toe van € 1.055,99. Dit is gebaseerd op het voor dergelijke rapporten in artikel 1, eerste lid onder IV van de Wet tarieven in strafzaken van toepassing verklaarde Besluit tarieven in strafzaken 2003 vastgestelde maximale uurtarief van € 81,23. In totaal komt voor vergoeding in aanmerking een bedrag van € 1.699,99.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover de rechtbank daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand heeft gelaten;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten voor het overige;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.699,99, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in hoger beroep betaalde recht van € 103,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H.G. Rottier en

C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2007.

(get) C.W.J. Schoor.

(get) M.C.T.M. Sonderegger.

RG