Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1973

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-03-2007
Datum publicatie
30-03-2007
Zaaknummer
05-1811 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAJONG-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1811 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 10 februari 2005, 04/281 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2006. Appellante is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. T.H. Martens.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest. In verband daarmee heeft de Raad het onderzoek heropend en een nadere vraag aan het Uwv voorgelegd. Het Uwv heeft daarop bij brief van

19 december 2006 met bijlagen geantwoord.

Nadat partijen de Raad toestemming hadden gegeven het onderzoek ter zitting achterwege te laten, heeft de Raad het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. In geding is de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante met ingang van 4 januari 2001 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG) toe te kennen.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit op bezwaar van 29 april 2004 (hierna: bestreden besluit), waarbij het Uwv deze weigering heeft gehandhaafd, ongegrond verklaard.

De Raad onderschrijft in grote lijnen de overwegingen van de rechtbank en het oordeel waartoe deze de rechtbank hebben geleid. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. De Raad verenigt zich met het standpunt van het Uwv, zoals uiteengezet in het verweerschrift in hoger beroep. Appellante heeft haar stellingen dat haar beperkingen tot het verrichten van arbeid onjuist zijn vastgesteld en dat zij als gevolg van haar chronische vermoeidheidsklachten ten tijde in geding niet in staat was tot enige loonvormende arbeid, niet met nadere medische gegevens onderbouwd. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat een dergelijke onderbouwing niet te lezen valt in de door appellante overgelegde brieven van de psycholoog dr. A.A. Vendrig van 1 december 2003 en de medisch adviseur D.J. Schakel van 5 december 2003. Evenals de rechtbank ziet de Raad geen aanknopingspunten om een onafhankelijke medisch deskundige te raadplegen. Uitgaande van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid ziet de Raad geen grond appellante niet in staat te achten de haar door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies te vervullen, voorzover deze door de bezwaararbeidsdeskundige in het rapport van 30 juni 2005 zijn gehandhaafd en nader toegelicht. Uit dat rapport blijkt dat ook nadat één van de oorspronkelijk voor appellante geselecteerde functies is afgevallen, nog voldoende functies resteren waarmee appellante een verdiencapaciteit ter hoogte van het maatgevende loon, in dit geval gesteld op het wettelijk minimumloon, kan realiseren.

Bij brief van 5 oktober 2006 heeft het Uwv toegelicht dat de geduide functies ook op de datum in geding actueel waren. Bij de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 18 december 2006 is een arbeidsmogelijkhedenlijst overgelegd waaruit blijkt dat de drie resterende geduide functies op de datum in geding in voldoende aantallen daadwerkelijk voorkwamen in het functie-informatiesysteem. Een vergelijking van het loon dat appellante in die functies zou kunnen verdienen met het maatgevende loon levert geen verlies aan verdiencapaciteit op.

De Raad concludeert dat de medische grondslag en de arbeidskundige grondslag, zoals in hoger beroep nader toegelicht, het bestreden besluit kunnen dragen. De Raad stelt vast dat eerst met de in hoger beroep gegeven toelichting uiteindelijk de gewenst geachte arbeidskundige onderbouwing is gegeven. Gelet op de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (LJN: AR4716 en volgende) moet zulks tot de conclusie leiden dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van dat besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand kunnen worden gelaten.

De Raad ziet geen grond om toepassing te geven aan artikel 8:73 van de Awb, nu het bestreden besluit weliswaar wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen in stand worden gelaten en van enige schade niet is gebleken.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 966,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 103,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk en M.C.M. van Laar en

F.A.M. Stroink als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2007.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) J.J. Janssen.

TM