Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1971

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-03-2007
Datum publicatie
30-03-2007
Zaaknummer
04/7285 WAO, 04/7286 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/7285 WAO, 04/7286 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 17 december 2004 , 03/2146 en 03/2631 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 28 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2007. Appellant is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Aarts.

II. OVERWEGINGEN

Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak vermeldt de Raad hier kortheidshalve dat appellant in juni 1996 zijn werk als internationaal vrachtwagenchauffeur heeft gestaakt wegens toegenomen nekklachten. Per einde wachttijd is aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke laatstelijk op praktische gronden werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Appellant heeft in 1997 hervat in de functie van kassier in de nachtdienst bij een benzinestation. Vanuit deze situatie heeft appellant zich op 13 december 2002 opnieuw ziek gemeld wegens toegenomen klachten.

In deze gedingen is de vraag aan de orde of de rechtbank terecht de navolgende besluiten van het Uwv in stand heeft gelaten:

? het besluit van 19 september 2003, waarbij het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 juli 2003 ongegrond is verklaard. Bij besluit van 3 juli 2003 is appellant ervan in kennis gesteld dat hij op en na 4 juli 2003 niet (meer) wegens ziekte of gebrek ongeschikt is tot het verrichten van de eigen arbeid en dat hij met ingang van die datum geen recht (meer) heeft op ziekengeld.

? het besluit van 24 november 2003, waarbij het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 juli 2003 ongegrond is verklaard. Bij besluit van 22 juli 2003 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd vastgesteld en meegedeeld dat er geen redenen zijn om de WAO-uitkering te wijzigen.

De Raad overweegt als volgt.

In hoger beroep heeft appellant allereerst een aantal klachten aangevoerd over de onderzoeksmethoden van de verzekeringsartsen.

Daarnaast heeft appellant gesteld dat hij voldoet aan alle criteria voor de diagnose CVS. Verder stelt hij dat er tastbare bewijzen zijn dat zijn beperkingen zijn toegenomen. In december 2003 zijn er volgens appellant foto’s genomen die aantonen dat er meerdere nekwervels zijn aangetast. Appellant acht zich dan ook volledig arbeidsongeschikt.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad ziet geen reden om te twijfelen aan de conclusies van de betrokken verzekeringsartsen, die in hun rapportages blijk hebben gegeven van een voldoende zorgvuldig onderzoek, waarbij aandacht is besteed aan het werk van appellant, met name ten aanzien van de nekbelasting. In hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht ziet de Raad geen aanleiding te oordelen dat appellant meer beperkt moet worden geacht dan de verzekeringsartsen hebben aangenomen. De Raad constateert daarbij dat appellant zijn stellingen, noch in beroep noch in hoger beroep heeft onderbouwd met medische bewijsstukken die aanleiding geven te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de onderzoeken en de conclusies van de verzekeringsartsen.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. E. Dijt en

P.J. Stolk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J. Verrips.

MH