Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1966

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2007
Datum publicatie
30-03-2007
Zaaknummer
04-6577 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6577 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 20 oktober 2004, 03/976 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G. Bakker, thans advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij faxbericht van 30 januari 2007 heeft appellante de beroepsgronden (nader) aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2007. Appellante is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Th. Martens.

II. OVERWEGINGEN

Voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad in de eerste plaats naar hetgeen de rechtbank daaromtrent bij de aangevallen uitspraak heeft weergegeven. De Raad volstaat hier met het volgende.

Appellante, geboren op 17 februari 1983, was laatstelijk werkzaam als keukenhulp gedurende gemiddeld 24 uur per week. Haar werkzaamheden heeft zij op 29 januari 2002 met klachten van vermoeidheid, duizeligheid en misselijkheid gestaakt. Bij het thans bestreden en op bezwaar genomen besluit van 20 augustus 2003 heeft het Uwv de bij besluit van 19 februari 2003 gedane afwijzing van het verzoek van appellante gehandhaafd om haar na ommekomst van de wettelijke wachttijd van 52 weken met ingang van 28 januari 2003 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak uitvoerig beargumenteerd waarom naar haar oordeel de medische grondslag van de onderwerpelijke arbeidsongeschiktheids-schatting, als verwoord in de functionele mogelijkheden lijst (FML) die ziet op de datum in geding, deugdelijk is.

De rechtbank heeft in de omstandigheid dat appellante niet toegelaten is tot de kring van werknemers als bedoeld in de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW), omdat zij niet in staat wordt geacht werkzaamheden in een beschutte werkomgeving te verrichten en aangewezen is op een vorm van dagbesteding, geen (doorslaggevende) reden gezien om te aanvaarden dat appellante, zoals zij stelt, geheel dan wel gedeeltelijk arbeidsongeschikt is. Evenmin heeft de rechtbank in de omstandigheid dat appellante is geïndiceerd voor thuiszorg in de vorm van 4 tot 6,9 uur huishoudelijke hulp per week, daartoe aanleiding gezien.

In hoger beroep is van de zijde van appellante evenals in eerste aanleg gewezen op het oordeel van de indicatiecommissie en de daaraan ten grondslag liggende stukken met betrekking tot haar ongeschiktheid voor arbeid in het kader van de WSW. Gezien dit oordeel had, aldus appellante, de bezwaarverzekeringsarts een nader onderzoek moeten instellen en is, nu dit achterwege is gebleven, geen sprake van een zorgvuldig onderzoek.

De Raad herhaalt zijn eerder in zijn uitspraak van 24-10-2006 (LJN: AZ0958) gegeven oordeel dat een toelating tot de doelgroep in het kader van de WSW geen rechtstreekse betekenis heeft voor de vraag of een aanspraak op een WAO-uitkering bestaat. Zowel de aard als de doelstelling van de beide wetten verzetten zich daartegen. Dat betekent echter niet dat gegevens die in het kader van de WSW worden verkregen niet zouden kunnen worden gebruikt in het kader van de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid of dat daaraan geen enkele betekenis toekomt. In het onderhavige geval heeft de Raad, anders dan in voornoemde uitspraak, evenwel geen aanleiding gezien de medische voorbereiding van het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig te achten. Aan het aan het bestreden besluit mede ten grondslag liggende rapport van de 30 juli 2003 van de bezwaarverzekeringsarts N. Visser valt te ontlenen dat zij kennis droeg van de aan de WSW-beoordeling ten grondslag liggende stukken en deze ook heeft besproken. Haar conclusie is, zo begrijpt de Raad, dat de WSW-plaatsing niet kon worden gerealiseerd, niet vanwege appellantes lichamelijke gezondheidstoestand, maar vanwege bij appellante bestaande gedragsproblemen. Die conclusie is niet onbegrijpelijk en vindt mede steun in het nadien ingezonden rapport van 23 mei 2005 van de orthopedagoog M.R. Jansen. Deze is tot de conclusie is gekomen dat appellante functioneert op licht verstandelijk beperkt niveau en dat er sprake is van een gebrek aan coping. Dienaangaande wijst de Raad erop dat door de verzekeringsarts in de FML is vastgelegd dat appellante sterk beperkt is in haar sociaal functioneren, omdat zij meestal geen conflicten kan hanteren. Met dit aspect is derhalve bij de arbeidsongeschiktheidsschatting al rekening gehouden.

Gelet op het hiervoor overwogene komt de Raad tot het oordeel dat het onderzoek naar de belastbaarheid voldoende zorgvuldig is geweest. Ook anderszins heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor de veronderstelling dat de medische grondslag van de schatting niet deugdelijk is.

De rechtbank heeft met betrekking tot de arbeidskundige grondslag overwogen dat weliswaar een van de geselecteerde functies niet voldoet aan de beperkingen van appellante, maar geoordeeld dat op basis van de resterende functies nog steeds moet worden aangenomen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante minder dan 15% bedraagt. Mede gelet op het in hoger beroep van de zijde van het Uwv overgelegde rapport van 21 december 2004 van de bezwaararbeidsdeskundige H.G. Coerts onderschrijft de Raad dit oordeel.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

RB1203