Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1964

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-03-2007
Datum publicatie
30-03-2007
Zaaknummer
04-6539 Wajong
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wajong-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6539 Wajong

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 21 oktober 2004, nr. 03/2256 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

Datum uitspraak: 28 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.H. Ruijzendaal, advocaat te Zeist, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Ruijzendaal, voornoemd. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J. van Werven.

II. OVERWEGINGEN

Voor de in dit geding van belang zijnde feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

In geding is het besluit van 5 september 2003 (hierna: het bestreden besluit). Bij dit besluit heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 1 april 2003, waarbij de uitkering van appellante ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) per 2 juni 2003 werd ingetrokken, onder overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 25% was.

De rechtbank heeft ten aanzien van de medische grondslag van de in geding zijnde schatting overwogen onvoldoende aanleiding te zien om de uiteindelijke vaststelling van de medische beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 28 juli 2003 door de bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal voor onjuist te houden dan wel een deskundige in te schakelen. De rechtbank heeft daarbij betrokken dat uit het rapport van de behandelend psychiater A.M.B. van Dongen van 9 december 2003 niet blijkt dat hij appellante verdergaand beperkt acht dan de bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat appellante, gelet op haar allergie voor huisstofmijt, ten onrechte geschikt is geacht voor de functie van huishoudelijk medewerker gebouwen. Nu evenwel na het vervallen van voornoemde functie voldoende functies met voldoende arbeidsplaatsen resteren en het arbeidsongeschiktheidspercentage als gevolg daarvan geen wijziging ondergaat heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat het rapport van psychiater Van Dongen voornoemd voldoende aanleiding vormde om meer beperkingen aan te nemen en in ieder geval had moeten leiden tot een onafhankelijke medische expertise. Voorts is van haar kant nog nadere medische informatie overgelegd.

De bezwaarverzekeringsarts heeft daarop inhoudelijk gereageerd. Voorts heeft de bezwaararbeidsdeskundige J. den Hartog desgevraagd nog een nadere toelichting gegeven.

Wat betreft de medische grondslag van de hier in geding zijnde arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ziet de Raad, evenals de rechtbank, onvoldoende aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen of tot het instellen van een nader medisch onderzoek. De Raad merkt daarbij op dat in dit geding slechts geoordeeld wordt over de mate van arbeidsongeschiktheid op 2 juni 2003 en dat derhalve met een kennelijke verslechtering van de gezondheidstoestand van appellante in psychisch opzicht na deze datum geen rekening kan worden gehouden.

De Raad sluit zich voorts aan bij het oordeel van de rechtbank dat, uitgaande van de medische beperkingen zoals vastgesteld in de FML van 28 juli 2003, op de datum in geding voldoende van de oorspronkelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies resteren om daarop de schatting ongewijzigd te kunnen baseren.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en

M.S.E. Wulffraat-van Dijk en F.A.M. Stroink als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen.

JL