Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1953

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2007
Datum publicatie
30-03-2007
Zaaknummer
05-6769 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering BWOO-uitkering. Zes-maandenjurisprudentie.

Wetsverwijzingen
Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/114
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6769 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 10 oktober 2005, 04/919 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: minister)

Datum uitspraak: 15 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. G.C. Kooijman, advocaat te ’s-Hertogenbosch. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.L. Meeske, en H. Hendriks, beiden werkzaam bij KPMG Management Services.

II. OVERWEGINGEN

1. In de aangevallen uitspraak is de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als verweerder aangewezen. Onder verwijzing naar ’s Raads uitspraak van 9 februari 2006, LJN AV2039 en TAR 2006, 108, stelt de Raad vast dat ten tijde hier van belang de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO) jegens appellant uitvoerde namens de minister. De minister had derhalve als partij moeten worden vermeld. Aangezien partijen door deze onjuiste vermelding in de aangevallen uitspraak niet zijn benadeeld, volstaat de Raad met verbetering van de partijstelling.

2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het navolgende.

2.1. Aan appellant is met ingang van 1 oktober 1997 een uitkering toegekend ingevolge het BWOO naar een omvang van 38 uur per week. In verband met een arbeidsovereenkomst met Grafite BV is de omvang van appellants uitkering met ingang van 3 april 2000 vastgesteld op 14 uur per week en vanaf 1 juli 2002 op 12 uur per week. Een onderzoek in 2003 naar de juistheid van de aan appellant betaalde uitkeringsbedragen heeft ertoe geleid dat de uitbetaling van appellants uitkering met ingang van 1 juni 2003 is geschorst.

2.2. Bij besluit van 19 september 2003, aangevuld bij besluiten van 22 oktober 2003, 27 oktober 2003 en 29 december 2003 is appellants uitkering herzien, in die zin dat de omvang van de uitkering over het tijdvak van 1 mei 1998 tot 1 januari 2001 is verlaagd en dat de uitkering vanaf 1 januari 2001 op nihil is gesteld. Daarbij is tevens besloten de over het tijdvak van 1 mei 1998 tot 1 juni 2003 teveel uitbetaalde uitkering tot een bedrag van € 42.822,86 van appellant terug te vorderen.

2.3. Bij besluit van 21 september 2004 (hierna: bestreden besluit) zijn onder meer de bezwaren tegen de hiervoor genoemde besluiten tot herziening en terugvordering ongegrond verklaard .

3. Bij de aangevallen uitspraak is het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat appellant de door de minister opgemaakte overzichten van door hem verrichte werkzaamheden niet concreet en gemotiveerd heeft weerlegd. De rechtbank heeft de omvang van de bij het bestreden besluit vastgestelde werkzaamheden aannemelijk geacht en geoordeeld dat de herziening en intrekking van de uitkering dus op een toereikende grondslag berust. Aan de rechtbank is niet gebleken dat appellant steeds al zijn werkzaamheden met de re-integratieconsulent heeft besproken; daaraan is toegevoegd dat een dergelijke bespreking de verplichte vermelding van de werkzaamheden op de maandelijkse formulieren onverlet zou laten. Derhalve heeft de rechtbank de opvatting van de minister onderschreven dat appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. Omdat appellants nalatigheid als “toedoen” is aangemerkt, was de minister bevoegd om de teveel betaalde uitkering vanaf 1 mei 1998 terug te vorderen. Voor toepassing van de zogenoemde zes-maandenjurisprudentie zag de rechtbank geen aanleiding. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat de berekening van de terugvordering voldoende inzichtelijk was.

4.1. In zijn hoger beroepschrift heeft appellant de houdbaarheid van de terugvordering bestreden. Hij heeft betwist dat hij zijn mededelingsplicht heeft geschonden. Volgens appellant verrichtte hij de werkzaamheden van 1 mei 1998 tot 1 april 2000 voor Grafite BV in het kader van re-integratie of scholing en heeft hij deze gemeld aan de

re-integratieconsulent. Ook de werkzaamheden die appellant vanaf 1 april 2000 buiten zijn arbeidsovereenkomst met Grafite BV heeft verricht, vormden volgens hem een voortzetting van het werk in het kader van re-integratie of scholing. Daarom heeft appellant ook hiervan geen melding gemaakt op de maandelijkse formulieren. Appellant heeft erop gewezen dat de opbrengst van die werkzaamheden toekwam aan Grafite BV. Appellant heeft zijn standpunt gehandhaafd dat de zes-maandenjurisprudentie van toepassing was. Voorts verwijt hij de minister dat de schuld zo hoog is opgelopen doordat de uitkering pas vanaf 1 juni 2003 is geschorst.

4.2. De minister heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. De Raad overweegt het volgende.

5.1. Voor zover appellant ter zitting ook de houdbaarheid van de herziening van zijn uitkering aan de orde heeft gesteld, zal de Raad hieraan voorbijgaan, aangezien het hoger beroepschrift alleen betrekking had op de terugvordering van de uitkering.

5.2. De Raad dient derhalve de vraag te beantwoorden of hij met de rechtbank van oordeel is dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden voor zover daarbij is gehandhaafd de terugvordering van de teveel betaalde uitkering over de periode van 1 mei 1998 tot 1 juni 2003 tot een bedrag van € 42.822,86.

5.2.1. In het bepaalde bij en krachtens het BWOO en in de toelichting op de informatie-formulieren die een uitkeringsgerechtigde elke maand moet invullen is geen aanknopingpunt te vinden voor de zienswijze van appellant dat hij eventuele met een re-integratieconsulent besproken werkzaamheden niet zou behoren te vermelden op die formulieren. Daarbij is overigens ook aan de Raad niet gebleken dat appellant de hier bedoelde werkzaamheden steeds volledig met een re-integratieconsulent heeft besproken.

De Raad heeft in de gedingstukken evenmin een aanknopingspunt gevonden voor enige uitlating van de kant van de minister dat bepaalde werkzaamheden zouden gelden als werkzaamheden in het kader van re-integratie of scholing, en dat op die werkzaamheden de voorschriften van het BWOO niet van toepassing zouden zijn.

5.2.2. De Raad deelt derhalve het oordeel van de rechtbank dat appellant zijn mededelingsplicht heeft geschonden, zodat appellant door eigen toedoen teveel uitkering heeft ontvangen en dat de minister in beginsel bevoegd was tot terugvordering van het teveel uitbetaalde bedrag over de periode van 1 mei 1998 tot 1 juni 2003.

5.2.3. Bij de beantwoording van de vraag of de wijze waarop de minister gebruik heeft gemaakt van zijn terugvorderingsbevoegdheid de aan de rechter toekomende beperkte toetsing kan doorstaan, komt met name aan de orde of de zogenoemde zes-maandenjurisprudentie in dit geval van toepassing is. Deze jurisprudentie komt erop neer dat de terugvordering op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel niet in stand kan blijven voor zover wordt teruggevorderd hetgeen is betaald (meer dan) zes maanden na de ontvangst bij de uitkeringsinstantie van een signaal waaruit valt af te leiden dat ten onrechte of teveel wordt betaald; hierop geldt als uitzondering de situatie waarin aangenomen moet worden dat de betrokkene met opzet gegevens heeft verzwegen met het kennelijke oogmerk zijn uitkering niet in gevaar te brengen (CRvB 30 december 1998, LJN AA8614 en USZ 1999, 85, en CRvB 12 april 2001, LJN AD3346 en TAR 2001, 91).

5.2.4. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat het fraudesignaal van 24 november 2000 van de re-integratieconsulent WW op zichzelf als onvoldoende moet worden aangemerkt, omdat hieraan niet meer ten grondslag lag dan - deels reeds bij de minister bekende - gegevens over Grafite BV. Naar het oordeel van de Raad werd dit echter anders nadat appellant bij de re-integratieconsulent een (nieuw) curriculum vitae had ingeleverd. Hierop zijn als door appellant sedert 1997 verrichte werkzaamheden vermeld (i) het begeleiden van docenten en studenten, (ii) het verzorgen van cursussen, (iii) onderwijskundig interim-management, (iv) het voeren van het bestuursmanagement voor de Nederlandse Dalton Vereniging, (v) de begeleiding van docenten in Bulgarije en (vi) enige nevenactiviteiten, die betrekking hadden op het vakgebied van appellant. Uit correspondentie tussen appellant en de re-integratieconsulent moet het deze functionaris bekend zijn geweest dat appellants contract met Grafite BV voor 24 uur per week betrekking had op werkzaamheden voor de Nederlandse Dalton Vereniging. De Raad is van oordeel dat de op het nieuwe curriculum vitae vermelde andere werkzaamheden, zeker in samenhang met het bericht van 24 november 2000, een duidelijk signaal vormden dat appellant aanzienlijk meer (betaalde) werkzaamheden verrichtte dan eerder bekend was en dat er dus sprake was van een fout. Het had dan ook op de weg van de minister gelegen om zo spoedig mogelijk een grondig onderzoek in te stellen naar de juistheid van appellants uitkering. De Raad maakt uit de inlevering van dit curriculum vitae tevens op, dat niet gesproken kon worden van opzettelijke verzwijging van gegevens in de zin van de onder 5.2.3. vermelde jurisprudentie.

5.2.5. De gedingstukken laten zien dat in het najaar van 2001 enig onderzoek heeft plaats gevonden door middel van het vergaren van schriftelijke informatie. Het daadwerkelijke onderzoek naar de juistheid van appellants uitkering is pas in 2003 in gang gezet.

Uit de gedingstukken leidt de Raad af dat de re-integratieconsulent het nieuwe curriculum vitae in of kort na februari 2001 heeft ontvangen, zodat de minister niet bevoegd was om de uitkering van appellant terug te vorderen voor zover deze (meer dan) zes maanden na het tijdstip van ontvangst van dat document is.

5.2.6. Het vorenstaande brengt mee dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden, voor zover daarbij het besluit tot terugvordering is gehandhaafd op een bedrag van € 42.822,86. Het bestreden besluit komt dus in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Ook de aangevallen uitspraak moet in zoverre worden vernietigd en eveneens voor zover in verband daarmee geen veroordeling in de proceskosten heeft plaatsgevonden. De minister zal met betrekking tot de terugvordering een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen. Daarbij dient tevens beslist te worden op het verzoek van appellant om toekenning van de kosten voor rechtskundige bijstand in de bezwaarprocedure.

6. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de minister op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuurswet te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 483,- (in aanvulling op de veroordeling in eerste aanleg tot een bedrag van € 322,-) en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten voor rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit wat betreft de terugvordering ongegrond is verklaard en voor zover in verband daarmee geen veroordeling in de proceskosten heeft plaatsgevonden;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond voor zover daarbij is beslist over de terugvordering en vernietigt dit besluit in zoverre;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige voor zover aangevochten;

Bepaalt dat de minister een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal van € 1.127,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 103,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) R.A. Huizer.

HD

06.03

Q