Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1944

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-03-2007
Datum publicatie
30-03-2007
Zaaknummer
04-3656 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/3656 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank `s-Gravenhage van 7 juni 2004, 03/3427 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.P. de Witte, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2006. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout.

Na de behandeling ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Partijen hebben vervolgens toestemming gegeven een nieuw onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Het Uwv heeft bij besluit van 12 december 2002 de eerder aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 13 februari 2003 herzien en verlaagd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 februari 2003 heeft het Uwv ongegrond verklaard bij besluit van 17 juli 2003 (het bestreden besluit). De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft in hoger beroep zijn in bezwaar en beroep aangevoerde gronden herhaald die er, kort samengevat, op neer komen dat volgens appellant een eerder in 1999 opgesteld belastbaarheidspatroon nog steeds van kracht is en dat op basis van dat belastbaarheidspatroon onvoldoende functies kunnen worden geduid. Appellant beroept zich tevens op een eerdere medische beoordeling door een verzekeringsarts, waarbij is aangegeven dat appellant matig belastbaar is als gevolg van zijn rugklachten en dat dat zo zal blijven, zolang hij niet wordt geopereerd.

De Raad overweegt als volgt.

Het feit dat appellant eerder in het kader van de WAO is beoordeeld en dat op basis van die beoordeling de door appellant weergegeven conclusies zijn getrokken staat niet in de weg aan een in het kader van een vijfdejaarsherbeoordeling volledig opnieuw bezien van de medische situatie van appellant. Daarbij is wel van belang dat de (bezwaar)verzekeringsarts een voldoende zorgvuldig onderzoek verricht en zorgt dat hij beschikt over alle van belang zijnde medische informatie over appellant.

De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat het onderzoek door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat met name de bezwaarverzekeringsarts beschikte over de meest recente informatie van de behandelend neuroloog. Uit deze informatie van W.V.M. Perquin van 2 mei 2003 blijkt dat appellant op 20 maart 2003 voor het laatst op de polikliniek neurologie is gezien en dat er bij hernieuwd neurologisch onderzoek geen aanwijzingen voor radiculaire prikkeling zijn gevonden. Perquin heeft de diagnose lumbago met pseudoradiculaire prikkeling in het rechterbeen gesteld en aangegeven dat er vanuit neurologische zijde alleen een expectatief beleid is aangewezen met het advies om zware, rugbelastende arbeid te vermijden. Dat de bezwaarverzekeringsarts in deze informatie geen aanleiding heeft gezien de op 21 oktober 2002 door de verzekeringsarts vastgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) bij te stellen, komt de Raad alleszins redelijk voor. De verzekeringsarts heeft namelijk bij het vaststellen van de FML rekening gehouden met het feit dat appellant beperkingen heeft ten aanzien van rugbelastende arbeid. Appellant heeft geen medische informatie in geding gebracht op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat appellant meer beperkt is dan de verzekeringsarts heeft weergegeven in de FML. De Raad concludeert dat het bestreden besluit op een juiste medische grondslag berust.

De Raad overweegt verder dat de rechtbank mede op basis van de “notities functiebelasting” van 25 november 2002 heeft vastgesteld dat er geen grond is om aan te nemen dat de functiebelasting de belastbaarheid van appellant overschrijdt. De Raad kan zich met deze vaststelling niet verenigen. Onder verwijzing naar zijn uitspraken van

9 november 2004 (LJN: AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722) stelt de Raad vast dat in dit concrete geval geen sprake is van een besluit met een als toereikend aan te merken niveau van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid. De drie uitermate summiere aantekeningen bij drie functies in drie verschillende Sbc-codes in de “notities functiebelasting” zijn onvoldoende om het onderhavige schattingsbesluit te laten voldoen aan de eisen die de Raad in zijn hiervoor genoemde uitspraken heeft gesteld. Het Uwv heeft in hoger beroep een nieuwe uitdraai gemaakt met behulp van het aangepaste Claim-, Beoordelings- en Borgings Systeem (CBBS), waarbij door middel van M, G en * signaleringen zijn aangegeven. De Raad heeft vastgesteld dat alle aspecten die door middel van M en G, al dan niet gecombineerd met *, zijn gemarkeerd, nader zijn gemotiveerd en acht deze motivering ook toereikend. Een door de Raad verzochte nadere motivering op de aspecten 4.9 en 4.11 in verband met het gebruiken van een nieuwe release van de FML acht de Raad ook toereikend en overtuigend. Deze overwegingen brengen de Raad tot de conclusie dat het Uwv in hoger beroep het bestreden besluit alsnog heeft voorzien van een voldoende motivering. Dit betekent dat het bestreden besluit wel dient te worden vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen worden gelaten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep,

in totaal € 966,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 133,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C. Bruning en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P. van der Wal.

CVG