Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1940

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-03-2007
Datum publicatie
30-03-2007
Zaaknummer
05-979 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld: niet meer arbeidsongeschikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/979 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 januari 2005, 04/1274 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2007.

Appellant is verschenen, bijgestaan door S. Amghar als tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.

II. OVERWEGINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische Bedrijven.

Appellant was van 1 juli 1992 tot 1 juli 1994 als tuinbouwmedewerker in dienst van [naam werkgever]. Op 2 mei 1994 heeft appellant zich wegens klachten van de linkerpols ziek gemeld. Naar aanleiding van deze ziekmelding is aan appellant bij brief van 23 juni 1994 meegedeeld dat hij door de verzekeringsarts op en na 10 mei 1994 niet arbeidsongeschikt werd geacht. Bij brief van 30 juni 1994 heeft appellant te kennen gegeven zich hier mee niet te kunnen verenigen en verzocht om ziekengelduitkering met ingang van 10 mei 1994. Bij brief van 1 september 1994 is van de zijde van het Uwv aan appellant meegedeeld dat bij een second opinion was vastgesteld dat hij op en na 10 mei 1994 niet arbeidsongeschikt was. Namens appellant is nadien diverse keren aan het Uwv verzocht in aanmerking te worden gebracht voor een ziekengelduitkering.

Bij besluit van 9 februari 2000 is aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 10 mei 1994 geen recht had op uitkering ingevolge de Ziektewet, omdat hij op en na deze datum niet langer arbeidsongeschikt werd geacht.

Het namens appellant tegen het besluit van 9 februari 2000 gemaakte bezwaar is bij besluit van 26 september 2002 ongegrond verklaard. De rechtbank Rotterdam heeft dit besluit bij uitspraak van 27 november 2003 vernietigd. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft het Uwv appellant bij brief van 15 maart 2004 in kennis gesteld van een nieuwe beslissing op bezwaar (het bestreden besluit).

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 27 augustus 1997 (95/5681 ZW, LJN: ZB7154) stelt de Raad vast dat appellant, wiens werkgever door de rechtbank is aangemerkt als een zogenoemde twee-weken werkgever als bedoeld in artikel 29, lid 5 (oud) van de Ziektewet, na de voor hem ongunstige uitslag van het second-opinion onderzoek aan het Uwv een besluit kon vragen over zijn aanspraak op ziekengeld en dat het bestreden besluit door de rechtbank terecht ten volle, derhalve ook ten aanzien van de vraag of appellant per 10 mei 1994 terecht niet ongeschikt is geacht tot het verrichten van zijn arbeid, is getoetst.

De Raad verenigt zich verder met het oordeel van de rechtbank en heeft het volgende overwogen.

Uit het Afschrift Medische Kaart blijkt dat de primaire verzekeringsarts bij onderzoek op 10 mei 1994 heeft vastgesteld dat de linker pols van appellant volkomen soepel was en geen beperkingen te zien gaf. Verzekeringsarts V.D. Gopal heeft bij het second opinion onderzoek op 28 juli 1994 de navolgende bevindingen gedaan:

“Bij onderzoek gaf betrokkene pijn aan diffuus diep in de onderarm en pols, maar er bestond geen drukpijn of pijn bij bewegen. Bij pro -en suppinatie van de linker pols was er een ?knak? te horen en leek het alsof er een (laterale extensor) pees van de pols in en uit zijn sulcus schoot. Dit was volgens betrokkene niet pijnlijk. Bij de andere bewegingen was dit geluid niet te horen. Voor de rest was de pols, hand -en vingerfuncties niet gestoord. De kracht was normaal. Betrokkene is rechtshandig.”

Bezwaarverzekeringsarts A.C. Wever heeft in een rapport van 10 februari 2004 op grond van informatie van de behandelend specialisten van appellant vastgesteld dat de pees van de linkerpols van appellant alleen bij een bepaalde beweging slipte en dat bij verzekeringsgeneeskundig onderzoek was gebleken dat deze beweging het strekken van de pols was. Blijkens de opgemaakte functiebeschrijving moest er veelvuldig worden gereikt, hetgeen met name belastend was voor de arm en de elleboog. De pols hoefde hierbij niet gestrekt te worden. Ditzelfde gold volgens de bezwaarverzekeringsarts voor het bovenhands werken, terwijl ook tillen en dragen geen appel deed op de polsfunctie wat strekken betreft. Gelet hierop achtte de bezwaarverzekeringsarts de beslissing dat appellant per 12 mei 1994 niet meer ongeschikt was voor het verrichtten van zijn arbeid valide.

De Raad ziet gelet op het standpunt van voornoemde bezwaarverzekeringsarts geen reden om aan te nemen, dat appellants pols bij het tuinbouwwerk zodanig belast werd dat hij zijn werk niet naar behoren kon verrichten. Van de zijde van appellant zijn geen medische gegevens aangedragen, die erop wijzen dat de bezwaarverzekeringsarts de belastbaarheid van appellant in dit opzicht heeft overschat. In aanmerking genomen dat appellant op 10 mei 1994 en op 28 juli 1994 door een verzekeringsarts is onderzocht kan ook niet staande worden gehouden dat het medisch oordeel van het Uwv bijna geheel tot stand is gekomen op basis van dossierstudie. Van onzorgvuldigheid in de besluitvorming acht de Raad in dit geding dan ook niet gebleken.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en E. Dijt en P.J. Stolk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J. Verrips.

CVG