Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1938

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-03-2007
Datum publicatie
30-03-2007
Zaaknummer
05-982 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering en verrekening ZW-voorschotten.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/982 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 25 januari 2005, 04/766 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2007. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.T. Dieters.

II. OVERWEGINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant heeft zich op 4 november 1997 ziek gemeld vanuit zijn functie van spinner in dienst van [naam werkgever] (hierna: werkgever).

De werkgever heeft appellant op 11 november 1997 op staande voet ontslagen.

Het Uwv heeft bij besluit van 7 januari 1998 appellant met ingang van 11 november 1997 voorschotten op de uitkering ingevolge de Ziektewet (hierna: ZW) toegekend.

Bij besluit van 13 oktober 1998 is appellant met ingang van 3 november 1998 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) toegekend.

De kantonrechter te Zuidbroek heeft bij vonnis van 18 maart 1999 het ontslag nietig verklaard en de werkgever veroordeeld tot doorbetaling van loon.

Bij vonnis van 27 oktober 2000 heeft de arrondissementsrechtbank Groningen het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.

Het Uwv heeft bij besluit van 23 november 2000 een bedrag van fl. 41.187,91 (€ 18.690,25) aan over de periode van 11 november 1997 tot en met 2 november 1998 onverschuldigd betaalde ZW-voorschotten teruggevorderd.

Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 9 januari 2001, onder herroeping van het besluit van 23 november 2000, gegrond verklaard, waarbij is meegedeeld dat van terugvordering en verrekening wordt afgezien totdat het rechtbankvonnis in kracht van gewijsde is gegaan, dan wel in cassatie arrest is gewezen.

De werkgever heeft het Uwv op 13 juni 2001 meegedeeld dat zijnerzijds in het rechtbankvonnis is berust.

Het Uwv heeft bij brief van 10 juni 2002 appellant meegedeeld dat terugbetaling is ontvangen ter hoogte van de netto betaalde voorschotten, zodat nog een bedrag van € 5.107,11 aan afgedragen belasting en premies socialeverzekeringswetten moet worden terugbetaald.

Bij brief van 19 augustus 2002 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat niet akkoord wordt gegaan met diens verzoek van 19 juni 2002 om te volstaan met terugvordering van het nettobedrag. Daarbij is overwogen dat niet duidelijk is hoe het mogelijk is dat appellant minder loon heeft ontvangen dan hem krachtens de toegewezen loonvordering toekomt. Verder is het feit dat appellant kennelijk met een schuld aan zijn raadsman blijft zitten geen aanleiding om de terugvordering te matigen.

Bij besluit van 27 november 2003 heeft het Uwv besloten het teruggevorderde bedrag van € 5.107,11 te verrekenen met de lopende WAO-uitkering in 51 maandelijkse termijnen van € 100,- en een slottermijn van € 107,11.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 21 juni 2004 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. In die uitspraak is overwogen dat met het besluit op bezwaar van

9 januari 2001 het besluit van 23 november 2000 in stand is gebleven en slechts de werking van het terugvorderingsbesluit tijdelijk is opgeschort.

Appellant heeft zich tegen die overweging gekeerd en betoogd dat het Uwv eerst tot invordering mocht overgaan na het nemen van een nieuw terugvorderingsbesluit. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat het besluit van 23 november 2000 zijn rechtskracht heeft behouden.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat bij het besluit van 9 januari 2001 niet slechts de werking van het besluit van 23 november 2000 is opgeschort, maar dat daarbij tevens het terugvorderingsbesluit is herroepen. Weliswaar is in het besluit van

9 januari 2001 direct onder het dictum aangegeven dat van terugvordering wordt afgezien totdat het rechtbankvonnis in kracht van gewijsde is gegaan, dan wel in cassatie een arrest is gewezen. De Raad acht echter doorslaggevend dat in dat besluit als dictum is opgenomen dat het bezwaar gegrond wordt verklaard en het besluit van 23 november 2000 wordt herroepen.

Voorgaande betekent evenwel - anders dan zijdens appellant is gesteld - niet dat thans geen sprake zou zijn van een geldig terugvorderingsbesluit.

Naar het oordeel van de Raad, dient de brief van 19 augustus 2002 te worden beschouwd als op rechtsgevolg gericht en derhalve als besluit te worden aangemerkt. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat in de brief van 19 augustus 2002 het verzoek van appellant, gedaan bij brief van 19 juni 2002, om te volstaan met netto terugvordering, uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is afgewezen. Derhalve is sprake van een besluit met betrekking tot de terugvordering van de onverschuldigd betaalde ZW-voorschotten.

Tegen de brief van 19 augustus 2002 heeft appellant geen bezwaar gemaakt, zodat dat besluit rechtens onaantastbaar is geworden. Het ontbreken van een bezwaarclausule in de brief van 19 augustus 2002 leidt niet tot een ander oordeel. De Raad merkt op dat het de gemachtigde van appellant uit de bevorderingen van de brief van 19 augustus 2002 duidelijk kon zijn dat dit een besluit behelsde inzake de hoogte van het teruggevorderde bedrag, zodat het op de weg van de gemachtigde van appellant lag tegen dat besluit bezwaar aan te tekenen.

Aan behandeling van de (inhoudelijke) grieven van appellant tegen de terugvordering komt de Raad derhalve niet toe.

Appellant heeft gesteld dat het besluit van 27 november 2003 onredelijk laat is genomen, hetgeen het Uwv heeft betwist.

De Raad overweegt dat van langdurig stilzitten voorafgaand aan het besluit van

27 november 2003 geen sprake is geweest. Het Uwv heeft immers, nadat bekend was geworden dat de werkgever in het rechtbankvonnis had berust, in zijn correspondentie met de gemachtigde van appellant herhaaldelijk vragen omtrent de terugvordering beantwoord en daarbij meermaals op voldoening van het terug te betalen bedrag aangedrongen.

De aangevallen uitspraak komt derhalve met verbetering van de gronden voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en M.C. Bruning en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2007.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) P. van der Wal.

MH