Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1931

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-03-2007
Datum publicatie
30-03-2007
Zaaknummer
04/2709 ZW, 04/2713 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Het geschil is beperkt tot de vraag of voor appellante een urenbeperking dient te worden aangenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/2709 ZW, 04/2713 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Haarlem van 30 maart 2004, 02/1025 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 02/410 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.P.P. Caubo, advocaat te Almere, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft de psychiater prof.dr. G.F. Koerselman onder dagtekening 29 augustus 2006 en 17 oktober 2006 van verslag en advies gediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Caubo. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.P.A. Loogman.

II. OVERWEGINGEN

04/2713 WAO

Appellante was werkzaam als secretaresse voor 40 uur per week toen zij in 1989 uitviel met psychische klachten. Haar is vervolgens een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op 22 januari 2001 is appellante in het kader van een heronderzoek gezien door een verzekeringsarts. Deze heeft appellante laten onderzoeken door zenuwarts C.J.F. Kemperman, die in zijn rapportage van 27 april 2001 in verband met een aanpassingsstoornis n.a.o. voor appellante beperkingen aangaf ten aanzien van de sociale aanpassing en werken onder tijdsdruk, conflicthantering en conflicterende functie-eisen. De verzekeringsarts heeft de beperkingen van appellante vastgelegd in een belastbaarheidspatroon. Op basis daarvan heeft een arbeidsdeskundige functies geselecteerd en het verlies aan verdiencapaciteit van appellante berekend op 56%. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 20 september 2001 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 7 oktober 2001 vastgesteld op 55 tot 65%. Bij besluit van 30 mei 2002 (hierna bestreden besluit 1) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 20 september 2001 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Op verzoek van de rechtbank heeft de psychiater N. van Loenen een rapport uitgebracht. Deze was van oordeel dat gelet op de door hem vastgestelde stoornis voor appellante een urenbeperking te rechtvaardigen was. Hij achtte appellante eigenlijk in het geheel niet belastbaar met arbeid. De rechtbank heeft dit standpunt niet overgenomen en het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat aan de door Van Loenen gestelde diagnose ongedifferentieerde somatoforme stoornis naar objectieve maatstaven gemeten onvoldoende gronden kunnen worden ontleend om tot de conclusie te komen dat appellante buiten staat is arbeid te verrichten. De rechtbank heeft geoordeeld dat de medische beperkingen van appellante gelet op de medische gegevens juist in beeld zijn gebracht.

In hoger beroep is het geschil beperkt tot de vraag of voor appellante een urenbeperking dient te worden aangenomen.

De door de Raad ingeschakelde deskundige psychiater Koerselman is tot de conclusie gekomen dat appellante lijdt aan een atypische, recidiverende depressieve stemmingsstoornis. Dit is een vorm van depressie, waarbij ernstige vermoeidheid een hoofdsymptoom kan zijn. Dit doet zich bij appellante voor. Koerselman acht in verband daarmee een urenbeperking aan de orde. Geconfronteerd met de reactie hierop van bezwaarverzekeringsarts M. Hoogeboom-Copier heeft Koerselman zijn standpunt onverminderd gehandhaafd.

In de vaste jurisprudentie van de Raad ligt besloten dat het oordeel van een onafhankelijke, door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel dient te worden gevolgd. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. Met name doet zich niet de situatie voor dat uit de reactie van de deskundige op een andersluidend oordeel van een door een partij ingeschakelde medicus blijkt dat de deskundige zijn eigen oordeel niet serieus heeft heroverwogen. De Raad is van oordeel dat het door Koerselman verrichte onderzoek volledig en zorgvuldig is geweest. Koerselman heeft een consistent en goed gemotiveerd rapport uitgebracht. Bij zijn oordeelsvorming heeft hij de bevindingen van zenuwarts J.C. Kense, blijkend uit diens rapport van 25 mei 1997, de door appellante ingebrachte rapportages van Lechner-consult van 16 januari 2002 en 4 februari 2002 en de eerder genoemde rapporten van Kemperman en Van Loenen betrokken en zijn bevindingen getoetst aan de Standaard Verminderde Arbeidsduur van het Uwv. Voorts heeft hij goed gemotiveerd waarom het commentaar van Hoogeboom-Copier hem geen aanleiding geeft zijn standpunt te wijzigen.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de (bezwaar)verzekeringsartsen ten onrechte geen urenbeperking voor appellante hebben aangenomen. Haar belastbaarheid is derhalve niet juist vastgesteld. Reeds daarom kunnen bestreden besluit 1 en aangevallen uitspraak 1 niet in stand blijven. Gelet hierop komt de Raad aan een bespreking van de arbeidskundige onderbouwing van bestreden besluit 1 niet meer toe. In het kader van het nieuw te nemen besluit op bezwaar zal een nieuwe arbeidskundige beoordeling dienen plaats te hebben.

04/2709 ZW

Op 11 oktober 2001 heeft appellante, die toen een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontving, zich ziek gemeld met klachten van overspannenheid. Op 5 november 2001 is zij terzake daarvan gezien door een verzekeringsarts, die haar per 7 november 2001 in staat achtte de in het kader van de WAO-beoordeling per 7 oktober 2001 voorgehouden functies te vervullen en haar per die datum hersteld verklaarde. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 5 november 2001 geweigerd appellante per

7 november 2001 uitkering van ziekengeld te verstrekken. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 29 januari 2002 (hierna: bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

De Raad stelt vast dat als gevolg van de vernietiging van bestreden besluit 1 ook bestreden besluit 2 een juiste medische grondslag ontbeert. Gelet hierop dienen bestreden besluit 2 en aangevallen uitspraak 2 eveneens te worden vernietigd.

De gemachtigde van appellante heeft op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht het Uwv te veroordelen in de schade aan de kant van appellante. Uit het hiervoor overwogene blijkt dat de bestreden besluiten wordt vernietigd op grond van gebreken in de totstandkoming ervan en dat het Uwv nieuwe besluiten op bezwaar dient te nemen. Daarom ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over mogelijke schade uit te spreken omdat nog niet vaststaat hoe de nieuwe besluiten zullen gaan luiden.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.127,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en

€ 41,70 aan reiskosten en op € 1.127,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 2.295,70.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraken;

Verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 gegrond en vernietigt deze besluiten;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen nieuwe besluiten op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 2.295,70, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 262,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en

M.C.M. van Laar en O.J.D.M.L. Jansen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2007.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) J.J. Janssen.

TM