Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1924

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-03-2007
Datum publicatie
30-03-2007
Zaaknummer
06-366 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag: de gedingstukken bieden een toereikende grondslag voor het standpunt van het College dat betrokkene niet daadwerkelijk woonachtig was op het opgegeven adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/366 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 december 2005, 05/7688 en 05/8545 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijswijk (hierna: College)

Datum uitspraak: 27 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.A.R. Schuckink Kool, advocaat te `s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Schuckink Kool. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Poldermans, werkzaam bij de gemeente Rijswijk.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante heeft een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) met ingang van 8 juni 2005. Op het daartoe ingevulde aanvraagformulier heeft zij aangegeven een kamer te huren op het adres [adres 1].

Naar aanleiding van de aanvraag is op 6 oktober 2005 een huisbezoek gebracht aan de woning op het door appellante opgegeven adres. De bevindingen van het huisbezoek zijn neergelegd in een rapport van 6 oktober 2005.

Bij besluit van 14 oktober 2005 heeft het College de aanvraag afgewezen.

Bij besluit van 30 november 2005 heeft het College het hiertegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante door een onjuiste opgave van haar woonadres te doen, de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Bij de aangevallen uitspraak - voor zover hier van belang - heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het tegen het besluit van 30 november 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover het beroep ongegrond is verklaard.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt voorop dat voor de beoordeling van het recht op bijstand de woon- en leefsituatie van de aanvrager een essentieel gegeven vormt. Het is dan ook van belang dat de aanvrager juiste informatie verschaft omtrent zijn woonadres. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag waar iemand woont te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de gedingstukken een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat appellante niet daadwerkelijk woonachtig was op het adres [adres 1]. De Raad heeft daarbij met name van betekenis geacht de bevindingen van het huisbezoek van 6 oktober 2005. Daaruit blijkt dat appellante, hoewel zij naar eigen zeggen al ongeveer vier maanden op dat adres woonde, geen sleutel van de woning had en daar niet kon beschikken over een eigen kamer of matras. Appellante kon verder slechts enkele kledingstukken laten zien. Administratie of andere persoonlijke bezittingen kon zij niet tonen. Meer kleding en de administratie zouden in de kelder liggen, maar over een sleutel van de kelder beschikte appellante ook niet. Tegen de achtergrond hiervan, hebben de diverse verklaringen die in hoger beroep nog door appellante zijn ingediend en hetgeen ter zitting is aangevoerd de Raad niet tot het oordeel kunnen brengen dat zij ten tijde in geding woonachtig is geweest op het opgegeven adres.

Door onjuiste inlichtingen te verschaffen over haar werkelijke woonadres heeft appellante de in artikel 17, eerste lid, van de WWB opgenomen inlichtingplicht geschonden. Als gevolg daarvan kan niet worden vastgesteld of appellante ten tijde hier in geding recht heeft op bijstand. Naar het oordeel van de Raad heeft het College de aanvraag van appellante dan ook op goede gronden afgewezen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2007.

(get.) C. van Viegen.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.

RB2103