Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1884

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2007
Datum publicatie
29-03-2007
Zaaknummer
06-1719 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen voortzetting van de WW-uitkering gedurende reïntegratie traject. Verzoek om terug te komen van. Geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2007, 159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1719 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 6 februari 2006, 05/3052 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 februari 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft F.G. Severin, de vader van appellante, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft het Uwv enige nadere stukken toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2007. Voor appellante is verschenen F.G. Severin voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 6 januari 2004 heeft het Uwv aan appellante een kortdurende uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend met ingang van 3 november 2003. Blijkens een brief van het Uwv van 26 februari 2004, gericht aan appellante, heeft zij verzocht om door middel van het volgen van een opleiding omgeschoold te mogen worden tot schoonheidsspecialiste. Zij heeft daartoe op 4 maart 2004 een gesprek gehad met de case manager WW en deze heeft haar gemeld bij het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI). Op 16 maart 2004 heeft een zogeheten kwalificerende intake plaatsgehad, waarvan een rapport is opgesteld, ondertekend door de vestigingsmanager CWI. In dit rapport, gedateerd 16 maart 2004, is onder het kopje ‘Advies hoofdlijnen van dienstverlening’ geschreven: “Er zijn geen knelpunten vastgesteld in de persoon of in de kwaliteiten van cliënt. De conclusie is dat cliënt, grotendeels als gevolg van de situatie op de arbeidsmarkt, binnen een half jaar geen werk heeft kunnen vinden. De indicatie “fase 2” is van toepassing. Het CWI adviseert om de dienstverlening voort te zetten in de vorm van een traject, gericht op intensieve bemiddeling.”

1.2. Bij besluit van 20 mei 2004 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld de WW-uitkering op 3 mei 2004 te hebben stopgezet wegens het bereiken van de maximum uitkeringsduur.

1.3. Bij brief van 11 juni 2004 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat is besloten voor haar een reïntegratie traject in gang te zetten, waarbij Randstad Rentree als begeleidende instantie zal optreden. Randstad Rentree heeft een zogeheten plaatsingsplan opgesteld, gedateerd 23 juni 2004. Het Uwv heeft dit plaatsingsplan goedgekeurd en appellante is met het reïntegratie traject begonnen.

1.4. Bij schrijven van 7 juli 2004, door het Uwv ontvangen op 13 juli 2004, heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 mei 2004. Het Uwv heeft appellante gevraagd te laten weten waarom het bezwaar te laat is ingediend. Appellante heeft bij brief van 20 juli 2004 te kennen gegeven dat reeds eerder, te weten bij brief van 7 juni 2004, bezwaar was gemaakt. Deze brief is, naar daarbij werd gesteld, persoonlijk afgegeven aan een medewerker van de afdeling WW van het Uwv. Het Uwv heeft echter, naar is aangegeven, deze brief niet ontvangen. Bij beslissing op bezwaar van 12 augustus 2004 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 mei 2004 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend en niet is gebleken van bijzondere omstandigheden, waardoor appellante niet in de gelegenheid was om tijdig een bezwaarschrift in te dienen. Tegen deze beslissing op bezwaar is geen rechtsmiddel aangewend.

1.5. Bij brief van 16 augustus 2004 heeft appellante verzocht om het besluit van 20 mei 2004 te herzien en de per 3 mei 2004 beëindigde WW-uitkering alsnog voort te zetten naar aanleiding van het aan haar op 11 juni 2004 toegekende reïntegratie traject. Zij heeft er daarbij op gewezen dat het reïntegratie traject, indien de rapporten van de case manager van 4 maart 2004 en de vestigingsmanager CWI van 16 maart 2004 niet waren zoekgeraakt, nog voor de beëindiging van haar WW-uitkering had kunnen zijn aangevangen en dat zij dat traject dan met behoud van uitkering had kunnen afronden. Het Uwv heeft bij besluit van 25 augustus 2004 aan appellante te kennen gegeven dat het van oordeel is dat er in het voorliggende geval wel sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden, maar dat deze niet leiden tot wijziging van het in het besluit van 20 mei 2004 ingenomen standpunt.

1.6. Bij besluit van 10 maart 2005 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 augustus 2004 gegrond verklaard en besloten het besluit van 25 augustus 2004 niet te handhaven. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 27 april 2005 het verzoek van appellante om het besluit van 20 mei 2004 te herzien wederom afgewezen op de grond dat de WW-uitkering van appellante, gelet op het naderhand gestarte reïntegratie traject, niet kan worden voortgezet voor de duur van dat traject omdat het bij dat traject niet gaat om een noodzakelijke opleiding of scholing.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat het besluit van 10 maart 2005 en het besluit van 27 april 2005 tezamen het besluit op bezwaar vormen en dat het beroep van appellante moet worden geacht te zijn gericht tegen dit besluit op bezwaar (hierna: bestreden besluit). De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard op grond van de overweging dat het betoog van appellante, inhoudende dat in haar geval onder toepassing van artikel 76 van de WW de WW-uitkering op en na 3 mei 2004 had moeten worden voortgezet, niet kan slagen omdat die bepaling als voorwaarde stelt dat de werknemer op het tijdstip dat deze gaat deelnemen aan een opleiding of scholing recht heeft op een WW-uitkering. Nu appellante op het moment van beëindiging van de WW-uitkering nog niet met de door haar gewenste opleiding was begonnen, kon artikel 76 reeds om die reden niet worden toegepast.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat door het Uwv bij het nemen van het bestreden besluit is beslist in strijd met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat is beslist op basis van nadere informatie van Randstad Rentree en zij niet in de gelegenheid is gesteld om op die informatie te reageren. Voorts heeft appellante - kort weergegeven - aangevoerd dat zij, gelet op artikel 76 van de WW, recht had gehad op voortzetting van de WW-uitkering indien met het reïntegratie traject een aanvang was gemaakt voor de beëindiging van die uitkering en dat het feit dat de aanvang van dat traject was gelegen na dat moment voor rekening en risico van het Uwv komt, alsmede dat het alsnog door het Uwv aangeboden reïntegratie traject zich niet verhoudt met het door het CWI in deze gegeven advies, dan wel dat bij haar het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat haar een (omscholings)opleiding tot schoonheidsspecialiste zou worden aangeboden en dat de case manager WW en het CWI hadden aangegeven dat deze opleiding voor haar noodzakelijk was en dat zij deze met behoud van uitkering mocht volgen.

3.2. Het Uwv heeft zich in verweer gesteld achter het oordeel van de rechtbank en aangegeven dat appellante de standpunten van het Uwv en het CWI heeft misverstaan, nu nooit is geconcludeerd dat de opleiding tot schoonheidsspecialiste voor appellante noodzakelijk was, als bedoeld in artikel 76 van de WW. Derhalve is er naar de opvatting van het Uwv ook geen grond voor het door appellante gestelde vertrouwen dat haar WW-uitkering voor voortzetting in aanmerking zou zijn gekomen.

4. Het oordeel van de Raad.

4.1. Het verzoek van appellante van 16 augustus 2004 strekt ertoe dat het Uwv terugkomt van het eerdere besluit van 20 mei 2004. Naar aanleiding van dit verzoek heeft het Uwv de zaak in haar geheel opnieuw beoordeeld, hetgeen echter niet tot een andere uitkomst heeft geleid.

4.2. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke, in rechte onaantastbaar geworden, besluit in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van de Awb staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere beslissing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsing zou zich niet verdragen met dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

4.3. Ter ondersteuning van het verzoek om terug te komen van het besluit van 20 mei 2004 heeft appellante aangevoerd dat zij, indien het Uwv tijdig zou hebben beslist op het door haar gedane verzoek om opleiding tot schoonheidsspecialiste, die opleiding had kunnen volgen met behoud van uitkering, zodat het besluit van 20 mei 2004 niet zou zijn genomen. Met het Uwv is de Raad van oordeel dat het met het naderhand aan appellante toegekende reïntegratie traject, gelet op de omstandigheden van dit geval, op zichzelf gaat om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Deze dwongen het Uwv echter niet tot een ander besluit, aangezien het aangeboden traject, als dat voor de beëindiging van de WW-uitkering zou zijn begonnen, ook niet zou hebben geleid tot voortzetting van die uitkering omdat het bij dat traject niet gaat om een noodzakelijke opleiding of scholing, als bedoeld in artikel 76 van de WW. De Raad ziet in de voorhanden zijnde stukken geen grond voor het standpunt van appellante dat uit de onderliggende rapporten van de case manager WW en de vestigingsmanager CWI blijkt dat de opleiding tot schoonheids-specialiste voor haar als een noodzakelijke opleiding is aangemerkt, noch dat bij appellante het gerechtvaardigde vertrouwen heeft kunnen bestaan dat haar die opleiding zou worden aangeboden met behoud van uitkering.

4.4. Voorts is de Raad van oordeel dat het niet in strijd met artikel 7:11 van de Awb is dat het Uwv, alvorens naar aanleiding van het bezwaar van appellante een standpunt in te nemen, informatie heeft gevraagd aan Randstad Rentree met betrekking tot de stellingen van appellante. Deze informatie bevatte, ook naar het oordeel van de Raad, met betrekking tot de in geding zijnde vraag geen nieuwe informatie, zodat het niet met artikel 7:9 van de Awb in strijd is dat appellante niet meer in de gelegenheid is gesteld om daaromtrent nog te worden gehoord.

4.5. Een en ander brengt de Raad tot het oordeel dat niet kan worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid tot zijn bestreden besluit heeft kunnen komen, dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, zij het op andere gronden, dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en H. Bolt en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2007.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) E. Heemsbergen.

19/02

BdH