Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1881

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-03-2007
Datum publicatie
29-03-2007
Zaaknummer
06-1976 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering. Was ontslag uit voorlaatste dienstbetrekking lichtvaardig genomen, gezien de loonbetalingsachterstand van die werkgever?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1976 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 20 februari 2006, 05/942 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 maart 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.B.Th. Koekkoek, werkzaam bij de Hout- en Bouwbond CNV te Drachten, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2007. Namens appellant is verschenen mr. Koekkoek, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.T. Wielinga, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Met ingang van 22 december 2003 is aan appellant een uitkering ingevolge de WW toegekend. Appellant is op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, welke liep van 21 juni 2004 tot 24 september 2004, in dienst getreden bij [naam werkgever]. Deze arbeidsovereenkomst is verlengd voor de periode van

25 september 2004 tot 25 december 2004. Appellant heeft tot en met 20 oktober 2004 bij [naam werkgever] gewerkt en is aansluitend per 21 oktober 2004 tot en met 12 november 2004 werkzaam geweest bij [naam B.V.] te [vestigingsplaats].

2.2. Op 16 november 2004 heeft appellant bij het Uwv een verkorte aanvraag ingediend voor voortzetting van zijn WW-uitkering. Bij besluit van 2 december 2004 heeft het Uwv aan appellant medegedeeld dat zijn (per 22 december 2003 toegekende) uitkering met ingang van 15 november 2004 herleefde, omdat de maximale uitkeringsduur nog niet was bereikt.

Bij besluit van 7 februari 2005 heeft het Uwv (alsnog) de uitkering over de periode van 15 november 2004 tot en met 25 december 2004 geheel geweigerd wegens het plegen van een benadelingshandeling omdat appellant de dienstbetrekking heeft verbroken zonder dat het contract daar gelegenheid voor bood. Tevens is besloten een bedrag van € 667,52 van appellant terug te vorderen wegens onverschuldigde betaling over de periode van 15 november 2004 tot en met

28 november 2004. Bij het besluit op bezwaar van 2 mei 2005 heeft het Uwv zijn standpunt gehandhaafd dat de werkloosheid van appellant per 15 november 2004 het gevolg is van een verwijtbare ontslagname per 21 oktober 2004 bij [naam werkgever]. Daarbij is aangegeven dat er geen sprake is van een situatie waarin het risico van het wisselen van dienstbetrekking opweegt tegen het belang dat appellant bij die wisseling heeft, nu gebleken is dat appellant (na het achterwege blijven van loonbetaling sinds 6 september 2004 en van vakantierechten sinds de aanvang van de arbeidsovereenkomst) eerst op 12 november 2004 een loonclaim bij [naam werkgever] heeft ingediend en het faillissement van deze werkgever pas op 3 maart 2005 is uitgesproken. Mitsdien is de uitkering tijdelijk geheel geweigerd over de periode dat appellant nog bij [naam werkgever] in dienst had kunnen zijn.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank was met het Uwv van oordeel dat de werkloosheid van appellant in overwegende mate het gevolg is van zijn ontslagname bij [naam werkgever] omdat hij daar in ieder geval tot 25 december 2004 in dienst had kunnen blijven, maar dat hij daarvan heeft afgezien door van

21 oktober 2004 tot en met 12 november 2004 een contract te aanvaarden bij [naam B.V.] Tevens heeft de rechtbank geen omstandigheden aanwezig geacht om in het onderhavige geval het niet of niet tijdig betalen van loon door [naam werkgever] als een niet verwijtbare reden voor ontslagname aan te merken, omdat appellant zijn werkgever voorafgaand aan zijn ontslagname niet schriftelijk heeft gemaand tot loondoorbetaling en afdracht van vakantierechten, nu de eerste schriftelijke aanmaning dateert van 12 november 2004, terwijl appellant op 25 september 2004 nog een nieuwe arbeidsovereenkomst voor drie maanden heeft aanvaard.

4. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Onder herhaling van hetgeen reeds in bezwaar en beroep is aangevoerd heeft hij gesteld dat het hem niet kan worden verweten dat hij de overstap van [naam werkgever] naar [naam B.V.] heeft gemaakt omdat loonbetaling vanaf 6 september 2004 en betaling van vakantierechten achterwege bleef. Gelet op de geringe kans op betaling en het latere faillissement, is er volgens appellant sprake van een niet verwijtbare reden voor ontslagname.

5.1. Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit. Hij beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

5.2. Tussen partijen is niet in geschil dat vanaf de datum van indiensttreding bij [naam werkgever] onregelmatige loonbetalingen hebben plaatsgevonden en dat vanaf 6 september 2004 tot 20 oktober 2004 loonbetaling geheel achterwege is gebleven. Voorts is van de zijde van het Uwv onbestreden gebleven dat appellant bij zijn werkgever meerdere malen mondeling heeft aangedrongen op betaling van het achterstallig loon, hetgeen vruchteloos is gebleken. Het Uwv heeft hierin evenwel geen reden gezien om het risico van werkloosheid, verbonden aan het wisselen van dienstbetrekking te laten opwegen tegen het belang dat appellant daarbij heeft. Gelet op de loonclaim die eerst schriftelijk op 12 november 2003 is gelegd en op het feit dat er op 21 oktober 2003 nog geen sprake was van faillissement of surséance van betaling bij [naam werkgever] had appellant er volgens het Uwv niet zonder meer vanuit mogen gaan dat het aanspreken van de werkgever zinloos zou zijn. In zijn algemeenheid acht de Raad het geen onjuist uitgangspunt dat een betrokkene, alvorens ontslag te nemen bij zijn werkgever, herhaald en schriftelijk om uitbetaling van loon moet verzoeken en met deze in overleg moet treden over de loonbetaling.

Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 9 mei 2001, LJN AL3612, USZ 2001, 177, kan onder omstandigheden van het geval het niet of niet tijdig betalen van loon door de werkgever evenwel een niet verwijtbare reden voor ontslagname zijn. In het onderhavige geval acht de Raad zodanige omstandigheden aanwezig. In dit verband wijst de Raad erop dat appellant, na het aangaan van de nieuwe arbeidsovereenkomst per 25 september 2004, nog tot 20 oktober 2004 bij [naam werkgever] heeft gewerkt en dat er toen sprake was van einde werk en dat de werkgever hem ook geen nieuwe werkzaamheden heeft aangeboden. Nu appellant op 20 oktober 2004 geen concreet zicht had op voortzetting van zijn werkzaamheden bij [naam werkgever], er reeds sprake was van een achterstallige loonbetaling vanaf 6 september 2004 en voor de toekomst loonbetaling zoniet uitgesloten dan toch hoogst onzeker was, heeft hij met het aanvaarden van een arbeidsovereenkomst voor de periode van 21 oktober 2004 tot en met 12 november 2004 bij [naam B.V.] -die weliswaar korter duurde dan de resterende tijd van de arbeidsovereenkomst met [naam werkgever]- zich verzekerd van inkomsten over de periode tot en met 12 november 2004 en daarmee appellants keuze zijn voorlaatste dienstbetrekking te beëindigen naar het oordeel van de Raad niet zodanig lichtvaardig is te achten dat vanuit het oogpunt van toepassing van de WW kan worden verweten. Mitsdien heeft het Uwv ten onrechte besloten de WW uitkering over de periode van 15 november 2004 tot en met

25 december 2004 te weigeren. De overige partijen verdeeld houdende geschilpunten behoeven derhalve geen bespreking meer.

5.3. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de Raad dan ook tot de slotsom dat het bestreden besluit wegens strijd met de wet dient te worden vernietigd. Ook de aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Dat houdt in dat het Uwv opnieuw op de bezwaren van appellant zal dienen te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

7. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant wegens verleende rechtsbijstand in bezwaar tot een bedrag van € 644,--, in beroep tot een bedrag van € 644,-- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, in totaal derhalve € 1.932,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen opnieuw op de bezwaren van appellant beslist met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.932,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en T. Hoogenboom en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2007.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.