Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1874

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-03-2007
Datum publicatie
29-03-2007
Zaaknummer
06-1484 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering. Verwijtbare werkloosheid. Ongeoorloofde aanwezigheid in bedrijfspand na sluitingstijd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1484 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 24 januari 2006, 05/2801 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 7 maart 2007.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M.A.H.H. Ceelen, advocaat te Rotterdam, een verweerschrift ingediend, waarbij verklaringen zijn gevoegd van K. [W.] en

G. Heijmeriks.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

G.M.M. Diebels, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Ceelen, voornoemd. Tevens is gehoord K. [W.], wonende te Nijmegen, die van de zijde van betrokkene als getuige is meegebracht.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.2. Betrokkene is vanaf 1 december 2000 werkzaam geweest bij [werkgever], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: werkgever), laatstelijk in de functie van 1e medewerker horeca/bedrijfsleider. Bij brief van 2 november 2004 is betrokkene op staande voet ontslagen op de grond dat hij op 28 oktober 2004 om 04.45 uur in strijd met de bedrijfsregels inzake sluitingstijden in het bedrijfspand aanwezig was. Nadat betrokkene op 10 november 2004 de nietigheid van dit ontslag had ingeroepen, heeft de werkgever het ontslag op staande voet niet gehandhaafd en een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst bij de kantonrechter ingediend. Bij beschikking van 31 december 2004 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 januari 2005 ontbonden met toekenning aan betrokkene van een vergoeding van € 1.920,28 bruto.

2.3. Op 10 januari 2005 heeft betrokkene een uitkering ingevolge de WW aangevraagd. Bij besluit van 31 januari 2005, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 21 juni 2005, heeft appellant de uitkering bij wijze van maatregel blijvend geheel geweigerd omdat betrokkene verwijtbaar werkloos is geworden. Daartoe is overwogen dat hij in strijd met de huisregels na sluitingstijd in het bedrijfspand aanwezig was, waarvoor hij door zijn werkgever diverse malen is gewaarschuwd, zoals in de brief van 15 januari 2004, waarbij erop is gewezen dat een volgende overtreding tot ontslag zou leiden. Daarmee heeft betrokkene volgens appellant zich verwijtbaar zodanig gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant onvoldoende heeft aangetoond dat betrokkene heeft gehandeld in strijd met de verplichting om te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt, zodat het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen stand kan houden. Daartoe is overwogen dat de voorhanden stukken onvoldoende steun geven voor het standpunt van appellant dat betrokkene ongeoorloofd aanwezig was op de werkplek en dat dit de aanleiding vormde voor de werkgever om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Het door appellant opgemaakte telefoonrapport van het contact met de werkgever op 17 juni 2005 vormde volgens de rechtbank wel een aanwijzing dat ongeoorloofde aanwezigheid debet was aan het verzoek tot ontbinding, maar de brief van de werkgever van

1 augustus 2005 weerspreekt dit voor wat betreft het bestaan van nadere afspraken omtrent sluitingstijden. Voorts heeft de rechtbank erop gewezen dat het verzoekschrift en het verweerschrift in de kantongerechtsprocedure spreken van een ’verschil van inzicht over wijze waarop de dagelijkse werkzaamheden verricht dienen te worden’ en niet reppen over sluitingstijden of ongeoorloofde aanwezigheid en dat een mondelinge behandeling niet heeft plaatsgevonden en in de beschikking geen nadere motivering wordt gewijd aan ‘de verandering in omstandigheden’.

4.1. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Daartoe is aangevoerd dat de werkgever heeft bevestigd dat betrokkene, in strijd met de gemaakte afspraken, op 28 oktober 2004 na sluitingstijd in het bedrijfspand aanwezig was en dat dit voorval er een was in een reeks van soortgelijke gebeurtenissen. Daarbij wordt verwezen naar een verklaring van de werkgever van 12 september 2005 en de daarbij overgelegde huisregels, welke verklaring niet eerder in het geding kon worden gebracht doordat deze abusievelijk niet in het dossier van betrokkene terecht was gekomen. Voorts heeft de rechtbank volgens appellant de omstandigheid dat in de ontbindingsprocedure niet gerept wordt over sluitingstijden of ongeoorloofde aanwezigheid ten onrechte gebruikt als bijkomend argument om niet van verwijtbare werkloosheid te spreken.

4.2. Betrokkene ontkent dat hij zich jegens zijn werkgever tijdens zijn dienstverband verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben. Volgens betrokkene heeft appellant miskend dat de arbeidsovereenkomst om geheel andere redenen is ontbonden en dat het geschil zich ten onrechte lijkt toe te spitsen op de vraag of betrokkene op 28 oktober 2004 na sluitingstijd om 04.45 uur wel of niet ongeoorloofd in het bedrijfspand aanwezig was. Subsidiair stelt betrokkene, onder verwijzing naar de bij het verweerschrift gevoegde verklaringen, dat hij rond 04.15 uur het pand heeft verlaten en dat hij destijds reeds, zonder succes, de werkgever had verzocht het tijdstip van vertrek na te gaan aan de hand van het alarm. Van een reeks soortgelijke gebeurtenissen is volgens hem geen sprake, terwijl hij slechts één keer, te weten op

15 januari 2004, is gewaarschuwd.

5.1. De Raad overweegt het volgende.

5.2. De Raad deelt niet het standpunt van betrokkene dat het incident op 28 oktober 2004 niet van belang is voor de vraag of hij op 1 januari 2005 verwijtbaar werkloos is geworden, omdat de dienstbetrekking is geëindigd om een andere reden. Het bestaan van een andere reden heeft betrokkene niet aannemelijk gemaakt, terwijl uit de verklaring van de werkgever d.d.

12 september 2005 blijkt dat het ontslag op staande voet wegens ongeoorloofde aanwezigheid om 04.45 uur weliswaar niet werd gehandhaafd maar ook dat dat incident voor de werkgever de directe aanleiding is geweest om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2005 te komen. Derhalve ligt primair de vraag voor of appellant terecht tot de conclusie is gekomen dat betrokkene verwijtbaar werkloos is geworden als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, wegens de omstandigheid dat hij op

28 oktober 2004 om 04.45 uur ongeoorloofd in het bedrijfspand aanwezig was.

5.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant onvoldoende onderzoek naar de van belang zijnde feiten heeft gedaan en dat het bestreden besluit derhalve niet met de vereiste zorgvuldigheid is genomen. Weliswaar is in hoger beroep meer duidelijkheid verkregen omtrent de geldende bedrijfsregels, maar dat neemt niet weg dat, naar het oordeel van de Raad, het tijdstip waarop betrokkene nog in het pand aanwezig was nog steeds niet met voldoende zekerheid vast staat. De lezing van de werkgever en die van betrokkene staan recht tegenover elkaar. De door appellant gegeven reden waarom hij de lezing van de werkgever volgt, te weten dat deze geen belang heeft bij het geven van een andere voorstelling van zaken, acht de Raad niet zonder meer overtuigend. De verklaring van de ter zitting gehoorde getuige acht de Raad onvoldoende duidelijk en stellig om daaraan doorslaggevende betekenis te hechten.

5.4. Betrokkene heeft blijkens de stukken steeds ontkend dat hij op 28 oktober 2004 nog om 04.45 uur in het pand aanwezig was. Hij heeft ook aangegeven dat hij de werkgever erop heeft gewezen dat het tijdstip van zijn vertrek precies kon worden vastgesteld aan de hand van de gegevens van het alarm en van de bevindingen van Securitas. De werkgever meldt in zijn brief d.d. 28 oktober 2004 dat Securitas hem heeft geïnformeerd dat betrokkene en anderen zich op 04.45 uur in het pand bevonden. Uit de brief van de werkgever van 2 november 2004 zou kunnen worden opgemaakt dat deze tevens over een schriftelijke rapportage d.d. 28 oktober 2004 beschikte. Een en ander leidt de Raad tot de conclusie dat het op de weg van appellant had gelegen nader onderzoek in te stellen om duidelijkheid te krijgen omtrent de feiten.

5.5. De Raad kan tenslotte ook het standpunt van appellant niet delen dat op grond van de gedingstukken reeds kan worden aangenomen dat de werkgever het gedrag van betrokkene terecht plaatst in een reeks van soortgelijke gebeurtenissen, nu betrokkene ook die stelling gemotiveerd heeft bestreden en zich onder de gedingstukken alleen een schriftelijke waarschuwing d.d. 15 januari 2004 bevindt. Dit standpunt acht de Raad ook onvoldoende onderbouwd.

5.6. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de Raad dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht termen aanwezig om appellant met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van

€ 428,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en T. Hoogenboom en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2007.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.