Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1866

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-03-2007
Datum publicatie
29-03-2007
Zaaknummer
06-1587 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering. Verwijtbare werkloosheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1587 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 26 januari 2006, 05/2889 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 maart 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.D. van der Heiden, werkzaam bij de Hout- en Bouwbond CNV, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2007. Appellant is met bericht vooraf niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.T.J. van de Pavert, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemers-verzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende, als vaststaande aangenomen feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant was met ingang van 18 juni 2001 als timmerman werkzaam bij [werkgever] (hierna: de werkgever). Begin 2004 heeft appellant zich ziek gemeld wegens psychische klachten. Eind maart 2004 heeft appellant op arbeidstherapeutische basis voor halve dagen hervat als betonwerker. Op 19 mei 2004 is appellant met vakantie gegaan. De werkgever heeft op 27 mei 2004 de Raad van bestuur van de Centrale Organisatie werk en inkomen (CWI) verzocht om toestemming voor het verlenen van ontslag aan appellant. Op 1 juni 2004 heeft appellant, na terugkeer van vakantie, de werkzaamheden als timmerman volledig hervat. Op 8 juni 2004 is hij bij een bedrijfsongeval geblesseerd geraakt aan een pols en heeft hij zich wederom ziek gemeld. Bij besluit van 1 juli 2004 heeft het CWI de werkgever de gevraagde toestemming onthouden. Op 25 en 26 november 2004 heeft E. Plante, arbeidsdeskundige bij ArboDuo, gesprekken gevoerd met appellant, die op dat moment al niet meer werkte wegens voortdurende klachten aan de pols, en met de werkgever. Uit de door de arbeidsdeskundige opgestelde rapportage blijkt dat appellant zich op het standpunt stelde niet meer terug te willen en te kunnen komen bij de werkgever en dat de werkgever zich op het standpunt stelde dat appellant onder begeleiding terug kon komen, in eerste instantie om te kalenderen, maar dat hij liever nog de arbeidsovereenkomst zou beëindigen. Naar aanleiding van deze gesprekken zijn appellant en de werkgever overeengekomen de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 december 2004 te beëindigen en dat daarbij aan appellant twee maanden salaris zal worden uitbetaald. Appellant vraagt vervolgens een uitkering krachtens de WW aan, die hem bij besluit van 15 maart 2005 met ingang van 1 februari 2005 blijvend geheel wordt geweigerd omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden nu zijn dienstbetrekking is geëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem gevergd zou kunnen worden. Appellant heeft zich daarop weer tot de werkgever gewend en dit heeft er in geresulteerd dat de werkgever alsnog de kantonrechter heeft verzocht de arbeidsovereenkomst met appellant te ontbinden per 1 april 2005. Bij beschikking van 21 maart 2005 heeft de kantonrechter de arbeids-overeenkomst per genoemde datum ontbonden.

2.2. Appellant heeft wederom een aanvraag voor een WW-uitkering ingediend. Bij besluit van 8 april 2005 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hem geen WW-uitkering wordt uitbetaald omdat reeds eerder is beslist tot blijvend gehele weigering van een WW-uitkering, welke blijvend gehele weigering per 1 april 2005 wordt voortgezet. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 28 juni 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard, waarbij de blijvend gehele weigering van de WW-uitkering wordt gebaseerd op de grond dat appellant per 1 april 2005 verwijtbaar werkloos is geworden, zodat de gevraagde WW-uitkering blijvend geheel dient te worden geweigerd.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat in het onderhavige geval de te beantwoorden vraag luidt of appellant uit een oogpunt van toepassing van de WW verwijtbaar heeft ingestemd met een gang van zaken, uitmondende in de door appellant ondertekende overeenstemming tot beëindiging van het dienstverband per 1 december 2004, die uiteindelijk door een ontbinding door de kantonrechter heeft geleid tot het einde van het dienstverband per 1 april 2005, terwijl aan de voortzetting van dat dienstverband geen zodanige bezwaren waren verbonden dat die voortzetting redelijkerwijs niet van appellant kon worden gevergd. Deze vraag heeft de rechtbank bevestigend beantwoord. De rechtbank overwoog dat zij voldoende aannemelijk acht dat de relatie tussen appellant en de werkgever onder druk is komen te staan, maar dat deze relatie zodanig verstoord is geraakt dat een herstel daarvan niet meer tot de mogelijkheden kon worden gerekend, kon zij niet aanvaarden. Naar haar oordeel had van appellant mogen worden verwacht dat hij, staande voor het risico van werkloosheid, zodra zijn lichamelijke gezondheid dit toeliet, was ingegaan op de voor de werkgever kennelijk nog openstaande mogelijkheid van hervatting (vooralsnog) in aangepast werk. Desgewenst, zo heeft zij daarbij nog overwogen, had appellant van daaruit naar ander werk kunnen uitzien. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat de omstandigheid dat appellant, naar hij stelt, is afgegaan op de aanwijzingen en opmerkingen van de arbeidsdeskundige E. Plante, inhoudende dat het voor beide partijen beter was om het dienstverband te beëindigen, niet kan leiden tot het oordeel dat moet worden gezegd dat het niet nakomen van de verplichting, neergelegd in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, niet in overwegende mate aan appellant kan worden verweten.

4.1. Appellant heeft zich in hoger beroep, verwijzende naar de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden, wederom op het standpunt gesteld dat hij niet verwijtbaar werkloos is geworden.

4.2. Het Uwv heeft in verweer verwezen naar hetgeen door hem in beroep is aangevoerd ter onderbouwing van de stelling dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

5. Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en hij overweegt daartoe het volgende.

5.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de voorhanden zijnde gegevens voldoende steun bieden voor het oordeel dat appellant de verplichting, neergelegd in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, niet is nagekomen. De Raad stelt zich achter de door de rechtbank in de aangevallen uitspraak neergelegde, hiervoor weergegeven overwegingen. Evenals de rechtbank wil ook de Raad aannemen dat de relatie tussen appellant en de werkgever onder druk is komen te staan, met name nadat door de werkgever was verzocht om toestemming voor het verlenen van ontslag aan appellant, en dat de positie van appellant tegenover zijn collega’s daarna niet gemakkelijk was, maar uit de voorhanden zijnde gegevens blijkt ook naar zijn oordeel niet dat aan de voortzetting van de dienstbetrekking zodanige bezwaren waren verbonden dat voortzetting redelijkerwijs niet van appellant zou kunnen worden gevergd. Vanuit een oogpunt van de toepassing van de WW kan het derhalve appellant worden aangerekend dat hij onnodig (actief of passief) heeft meegewerkt aan de beëindiging van het dienstverband. Van de zijde van appellant zijn voorts onvoldoende gegevens in het geding gebracht om tot een ander oordeel te kunnen geraken.

5.2. Op grond van bovenstaande overweging is de Raad van oordeel dat het hoger beroep van appellant geen doel treft, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en H. Bolt en R.P.Th. Elshoff als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2007.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.R.S. Bacon.