Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1863

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-03-2007
Datum publicatie
29-03-2007
Zaaknummer
06-556 AW en 06-2493 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functiewaardering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/556 AW en 06/2493 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Brielle (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 december 2005, 04/3383 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

Datum uitspraak: 22 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 16 februari 2006 een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Betrokkene heeft daarop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.R.M. Berends-Schellens, verbonden aan Capra. Betrokkene is in persoon verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene, sinds 1992 bij appellant in dienst, vervult vanaf 1 januari 1999 de functie die thans wordt aangeduid als leerplichtambtenaar. Bij brief van 16 april 2004 heeft appellant aan betrokkene meegedeeld dat haar functie, op basis van de Regeling organieke functiewaardering 1999 gemeente Brielle en met toepassing van het ODRP-functiewaarderingssysteem 2000, opnieuw is beschreven en gewaardeerd en dat het niveau van de functie is vastgesteld op hoofdgroep III, met toekenning van 10 punten voor de bij de functiewaardering betrokken gezichtspunten, hetgeen na conversie leidt tot indeling in salarisniveau 7.

1.2. Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen de waarderingsuitkomst, in het bijzonder tegen de toegekende score van 2 punten voor het gezichtspunt Keuzemogelijkheden. Bij het bestreden besluit van 7 oktober 2004 heeft appellant de bezwaren van betrokkene ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd wegens schending van artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en appellant opgedragen opnieuw op het bezwaarschrift van betrokkene te beslissen, met inachtneming van haar uitspraak.

3. In hoger beroep betoogt appellant - kort samengevat - dat de rechtbank miskent dat het kenmerk Zelfstandigheid als apart gezichtspunt geen deel uitmaakt van de functiewaarderingsregeling. De zelfstandigheid in de functie wordt door appellant niet ontkend, maar de waardering daarvoor komt mede tot uitdrukking in de hoofdgroepindeling en in de score van de overige gezichtspunten, in het bijzonder de gezichtspunten Contact en Handelingsvrijheid. Nu niet is gebleken dat de rechtbank de onderlinge samenhang tussen de hoofdgroepindeling en de overige gezichtspunten bij haar overwegingen heeft betrokken heeft de rechtbank op onjuiste gronden vastgesteld dat de motivering van het besluit onvoldoende is. Appellants betoog komt er verder op neer dat het werk op meerdere, maar wel bekende manieren kan worden uitgevoerd en dat initiatief slechts in beperkte mate wordt vereist. Ter zitting is nog verklaard dat geen sprake zou zijn van het vinden van nieuwe oplossingen als bedoeld in het systeem, dat wil zeggen uitgaande boven het werk- en denkniveau.

4. De Raad overweegt naar aanleiding hiervan als volgt.

4.1. Evenals de rechtbank stelt de Raad vast dat het geschil tussen partijen zich toespitst op de waardering van het gezichtspunt Keuzemogelijkheden. Meer specifiek gaat het daarbij om de waardering van de taken zoals die in de functiebeschrijving zijn opgenomen onder het - niveaubepalende - functiebestanddeel 1 “beëdigd leerplichtambtenaar”. De daarbij door de rechter aan te leggen toetsingsmaatstaf is, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, terughoudend.

4.2. Volgens het toepasselijke functiewaarderingssysteem gaat het bij het gezichtspunt Keuzemogelijkheden om de mate waarin de organisatie en de (aard van de) werkzaamheden de functionaris de mogelijkheid bieden tot het ontwikkelen van initiatieven, het bewandelen van andere wegen dan de gebruikelijke en het oplossen van zich voordoende problemen naar eigen inzicht. De keuzen kunnen worden beperkt door wetgeving, jurisprudentie, voorschriften, richtlijnen, instructies, werkafspraken en dergelijke.

4.3. Een score van 2 punten is volgens het systeem op zijn plaats als het werk op meerdere, maar wel bekende manieren kan worden uitgevoerd. Afhankelijk van de omstandigheden dient daarbij een keuze te worden gemaakt.

Bij de score van 3 punten vermeldt de systeemtekst dat het werk omvat het ontwerpen en realiseren van nieuwe oplossingen voor problemen in de uitvoeringssfeer. In de regel zijn dit eenmalige oplossingen dan wel beleidsuitvoering binnen vastgestelde of aangegeven beleidslijnen en of instructies.” Onder nieuwe oplossingen/wegen dient blijkens de toelichting bij het systeem te worden verstaan, die oplossingen/wegen die op grond van het werk- en denkniveau niet bekend mogen worden verondersteld.

4.4. De Raad stelt vast dat de omschrijving bij score 2 in het systeem in het geheel niet spoort met de in de functiebeschrijving gehanteerde bewoordingen. In de eerste plaats sluiten de in de functiebeschrijving onder de kop “initiatief in het werk” onder sub b, gehanteerde bewoordingen niet aan bij het betoog van appellant dat het werk op meerdere, maar wel bekende manieren kan worden uitgevoerd. Waar voorts in de functiebeschrijving tot uitdrukking is gebracht dat in het werk bij iedere situatie opnieuw initiatieven dienen te worden ontwikkeld om problemen op te lossen, waarbij het meestal gaat om meervoudige problematiek waarbij geen voor de hand liggende oplossingen zijn, vindt de Raad geen steun voor de stelling van appellant dat initiatief slechts in beperkte mate wordt vereist.

Veeleer sluit de functiebeschrijving naar het oordeel van de Raad aan bij de systeemtekst behorend bij de score van 3 punten. Daarbij merkt de Raad nog op dat hem niet is gebleken dat de oplossingen die moeten worden gevonden niet ook als nieuwe oplossingen kunnen worden gezien.

4.5. De Raad volgt appellant voorts niet in de grief dat de rechtbank het bestaan van de onderlinge samenhang tussen de hoofdgroepindeling en de overige gezichtspunten heeft miskend. Daartoe neemt de Raad in aanmerking dat in de systeemtekst onder 4.4. is aangegeven dat de zelfstandigheid van de functie tot uitdrukking komt in de gezichtspunten Handelingsvrijheid en Keuzemogelijkheden. Dit betekent niet alleen dat aan de door appellant genoemde onderlinge samenhang niet die vergaande betekenis toekomt die appellant daaraan verbonden wenst te zien, maar ook, dat de Raad niet voor onjuist kan houden dat de rechtbank bij de beoordeling van het kenmerk Keuzemogelijkheden een zeker gewicht heeft toegekend aan de mate van zelfstandigheid waarmee betrokkene blijkens de functiebeschrijving wordt geacht haar functie te vervullen.

4.6. In hetgeen appellant in hoger beroep ter onderbouwing van zijn standpunt overigens nog heeft aangevoerd ziet de Raad, ook in het licht van de in de systeemtekst bij de score van 2 punten gegeven toelichting, geen afdoende motivering op grond waarvan de toegekende waardering met een score van 2 punten niet onhoudbaar moet worden geacht. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het bestreden besluit niet wordt gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.

5. Nu appellant de in hoger beroep gegeven onderbouwing voor de waardering van het gezichtspunt Keuzemogelijkheden met een score van 2 punten in essentie ook ten grondslag heeft gelegd aan het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak gegeven nieuwe besluit van 16 februari 2006, tot welk besluit het geding in hoger beroep zich op de voet van artikel 6:19 van de Awb mede uitstrekt, ziet de Raad aanleiding dat besluit te vernietigen wegens het ontbreken van een draagkrachtige motivering.

6. Aangezien niet is gebleken van door betrokkene in hoger beroep gemaakte proceskosten acht de Raad tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat appellant een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van de Raad is overwogen;

Verklaart het beroep dat betrokkene geacht moet worden te hebben ingesteld tegen het nieuwe besluit van 16 februari 2006 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat van de gemeente Brielle een griffierecht van € 428,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.J.W. Loots als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2007.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) P.J.W. Loots.

HD

19.02