Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1859

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2007
Datum publicatie
29-03-2007
Zaaknummer
06-1448 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging WW-uitkering. Geen urenverlies wegens werk als zelfstandige. Toetsen aan beleid zogeheten vrij te laten uren zelfstandige?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2007, 158
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1448 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 23 januari 2006, 05/1722 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 februari 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.H. Beishuizen, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 10 maart 2006 heeft appellant een schriftelijk stuk aan de Raad doen toekomen.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2007. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.H.C. de Bruijn, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Appellant is van 18 april 1995 in dienstbetrekking werkzaam geweest bij de [werkgever] als medewerker Procesondersteuning, sedert 1 mei 2001 gedurende 27 uur per week. In verband met het vervallen van die functie is appellant - uiteindelijk - per 1 januari 2004 met behoud van loon in de gelegenheid gesteld een post-HBO studie tot loopbaanadviseur te volgen en is daartoe vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ingaande 1 januari 2005 ontbonden, waarna appellant WW-uitkering heeft aangevraagd. Op zijn aanvraag heeft appellant vermeld dat hij vanaf 1 januari 2004 gedurende 0,5 uur per week in dienstbetrekking werkzaam was als directeur bij [naam B.V.], en dat hij in 2004 een eigen onderneming was gestart die zich bezig hield met loopbaanbegeleiding. Volgens die opgave werkte hij in de 27 weken voorafgaand aan 1 januari 2005 3 tot 3,5 dagen per week als zelfstandig loopbaanbegeleider. Volgens het bij fax van 31 maart 2005 aangevulde werkbriefje werkte appellant in de periode van 3 tot en met 9 januari 2005 gedurende totaal 45 uur als zelfstandige.

2.2. Bij besluit van 31 januari 2005 heeft het Uwv appellant met ingang van 3 januari 2005 WW-uitkering ontzegd op de grond dat hij per die datum niet werkloos was. Volgens het Uwv is op 1 januari 2004 feitelijk een verlies van 27 arbeidsuren ingetreden. De uren die appellant daarna als zelfstandige is gaan werken, zijn in de plaats gekomen van de verzekeringsplichtige uren. Omdat appellant nu meer dan 27 uur per week als zelfstandige werkt, resteert volgens het Uwv op 1 januari 2005 geen urenverlies.

2.3. In bezwaar heeft appellant een en ander maal, onder bijvoeging van een verklaring van zijn vader en van een schriftelijke voergeldovereenkomst, gedateerd 2 april 2003, aangegeven dat hij zich in 2003 en 2004, naast het dienstverband bij de Rabobank, 45 uur per week bezig hield met het verzorgen van varkens in het kader van die overeenkomst. Appellant heeft voorts gesteld dat hij per 1 januari 2005 die werkzaamheden heeft teruggebracht tot 15 uur per week.

2.4. Bij het besluit van 3 mei 2005 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 31 januari 2005 ongegrond verklaard.

3.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat zij aan de in beroep overgelegde verklaring van R. van den [H.], de wederpartij bij de voergeldovereenkomst, niet de betekenis kan toekennen die appellant daaraan gehecht wenst te zien.

4.1. De Raad staat voor de vraag of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel over het bestreden besluit. Die vraag beantwoordt de Raad ontkennend. Hij overweegt daartoe als volgt.

4.2. De stelling van appellant dat hij voor en na 1 januari 2004 werkzaamheden heeft verricht als zelfstandige in het kader van de voergeldovereenkomst kan, naar het oordeel van de Raad, niet anders worden verstaan dan als een beroep op het - overigens niet gepubliceerde - beleid van het Uwv met betrekking tot de zogeheten vrij te laten uren als zelfstandige. De Raad constateert dat het Uwv daarover bij het bestreden besluit niet heeft beslist, althans daaraan geen enkele overweging heeft gewijd. De Raad beluistert in hetgeen van de zijde van het Uwv in beroep en hoger beroep is aangevoerd dat het Uwv het niet aannemelijk gemaakt acht dat appellant dergelijke werkzaamheden verrichtte. Dat standpunt kan naar het oordeel van de Raad niet zonder enig onderzoek worden ingenomen en dat heeft, naar de Raad ook vaststelt, in het geheel niet plaats gehad.

4.3. Op grond van het vorenstaande concludeert de Raad dat het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2, 3:4 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet worden vernietigd. De aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten, komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. Het Uwv zal opnieuw op het bezwaar van appellant dienen te beslissen. Daarbij zal tevens het verzoek van appellant tot vergoeding van renteschade dienen te worden betrokken.

5. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant terzake van verleende rechtsbijstand, begroot op € 322,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep, totaal derhalve € 644,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Draagt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ad € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en H. Bolt en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2007.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) E. Heemsbergen.