Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1856

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-03-2007
Datum publicatie
29-03-2007
Zaaknummer
06-1928 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering. Verwijtbare werkloosheid. Ontslag wegens ongeoorloofde afwezigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1928 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 23 januari 2006, 05/1093 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 maart 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben desgevraagd nadere stukken ingezonden. Appellante heeft desgevraagd nadere informatie verstrekt.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 24 januari 2007. Partijen zijn - met voorafgaand bericht - niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. Appellante is op 1 april 2004 in dienst getreden bij de [werkgever] (hierna: werkgever). Op 10 december 2004 heeft de werkgever appellante, onder verwijzing naar een aantal incidenten waarbij appellante ongeoorloofd afwezig was, een laatste kans geboden en haar meegedeeld dat bij een volgend incident ontslag zou volgen.

2.2. Appellante is begin 2005 op vakantie naar Curaçao gegaan. Op 24 januari 2005 vernam appellante dat het, tengevolge van het faillissement van haar vliegtuigmaatschappij en de daarop gevolgde overname van de failliet en overboekingen, voor haar niet mogelijk zou zijn op de met de werkgever afgesproken datum, 7 februari 2005, op haar werk te verschijnen. Zij heeft de werkgever hiervan bij e-mail van 25 januari 2005 op de hoogte gebracht. Deze e-mail heeft de werkgever, zoals blijkt uit de aan appellante gerichte e-mail van haar provider van 26 januari 2005, niet bereikt.

2.3. Appellante verscheen op 7 februari 2005 niet op haar werk. Haar werkgever heeft daarop tevergeefs getracht met appellante in contact te treden, onder meer door een bericht op haar voicemail in te spreken. Bij brief van 8 februari 2005 heeft de werkgever appellante vervolgens op staande voet ontslagen.

2.4. Appellante heeft een WW-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 30 maart 2005 heeft het Uwv de uitkering met ingang van 8 februari 2005 blijvend geheel geweigerd op de grond dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden. Het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar is door het Uwv, na informatie te hebben ingewonnen bij de werkgever, bij het bestreden besluit van 22 juli 2005 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft appellante, gelet op de eerdere waarschuwing, redelijkerwijs moeten begrijpen dat het dienstverband zou kunnen worden beëindigd indien zij, zonder dat de werkgever daarvan op de hoogte was, op de afgesproken datum -

7 februari 2005 - niet op haar werk verscheen. Naar het oordeel van de rechtbank valt het appellante te verwijten dat haar werkgever er niet van op de hoogte is geraakt dat zij die dag door overmacht afwezig was. De rechtbank overweegt daarbij dat een werknemer, indien sprake is van een langere afwezigheid dan afgesproken, gehouden is de werkgever daarvan tijdig op de hoogte te stellen en dat het voor risico van appellante dient te komen dat haar e-mail van 25 januari 2005 niet bij de werkgever is aangekomen. De rechtbank merkt daarbij nog op dat appellante niet is nagegaan of haar e-mail door de werkgever was ontvangen en dat zij ook niet heeft getracht telefonisch met haar werkgever in contact te treden. De verklaring van appellante dat telefonisch contact onmogelijk was, acht de rechtbank niet geloofwaardig.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank dient te worden gevolgd in het oordeel dat het Uwv terecht de WW-uitkering aan appellante blijvend geheel heeft geweigerd op de grond dat zij verwijtbaar werkloos is geworden als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder a, van de WW.

4.2. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak.

4.3. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat in vergelijking met hetgeen eerder is aangevoerd geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad dan ook niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

4.4. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

5. Nu het hoger beroep niet slaagt is er voor een veroordeling tot schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen plaats.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en T. Hoogenboom en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2007.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.