Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1826

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-03-2007
Datum publicatie
29-03-2007
Zaaknummer
06-2024 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering overneming onbetaald gebleven loon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2024 W W

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 15 februari 2006, 05/512 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 maart 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I. Petkovski, advocaat te Deventer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft, desverzocht, haar standpunt nader gemotiveerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Petkovski als haar raadsman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E. van den Brink, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Appellante is op 1 januari 2003 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij [werkgever]. Zij is per 14 mei 2003 met onbetaald verlof gegaan om elders in het kader van een praktijkovereenkomst tot 29 september 2003 werkzaamheden te gaan verrichten. Zij heeft tot 14 mei 2003 haar salaris ontvangen, behalve over de maanden februari en maart 2003. [werkgever] is op 18 augustus 2003 overgenomen door Marketing Bureau 3 Ster en op 25 augustus 2003 failliet verklaard. De curator heeft het personeel op 27 augustus 2003 schriftelijk opgezegd. Omdat die opzegging appellante niet had bereikt, heeft de curator de dienstbetrekking met appellante alsnog op 18 september 2003 opgezegd.

2.2. Appellante heeft het Uwv verzocht om met toepassing van Hoofdstuk IV van de WW het achterstallige loon over de maanden februari en maart 2003 over te nemen. Bij besluit van 31 augustus 2004 heeft het Uwv dat verzoek afgewezen. Bij het op bezwaar gegeven besluit van 25 februari 2005 (het bestreden besluit) heeft het Uwv die afwijzing gehandhaafd en nader gemotiveerd. Daarbij is (onder meer) de datum 27 augustus 2003 aangewezen als fictieve opzegdag, als bedoeld in artikel 64, aanhef en onder a, van de WW, en de eerste dag van de dertien weken periode als bedoeld in dat artikellid gesteld op 29 mei 2003. Nu appellante in die periode bij [werkgever] met onbetaald verlof was bestond er geen recht op loon dat voor overneming in aanmerking zou komen. Het achterstallige loon over de maanden februari en maart 2003 heeft betrekking op een tijdvak gelegen vóór 29 mei 2003 en kan om die reden niet worden overgenomen, aldus het bestreden besluit.

3.1. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.2. Appellante stelt ook in hoger beroep aanspraak te hebben op overneming van het onbetaald gebleven loon. Zij stelt primair dat 19 mei 2003 als fictieve opzegdag moet worden aangewezen en subsidiair dat uit de rechtspraak van het EG Hof terzake van de zogenoemde Insolventierichtlijn (Richtlijn 80/987 van de Raad van de EG van 20 oktober 1980) voortvloeit dat het Uwv het onbetaald gebleven loon, waarvoor appellante immers heeft gewerkt, moet overnemen.

4.1. In hoger beroep is de vraag aan de orde of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat het Uwv bij het bestreden besluit terecht appellante uitkering op grond van Hoofdstuk IV van de WW is onthouden.

4.2. Blijkens het verhandelde ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellante nog slechts als grief gehandhaafd dat de regeling van artikel 64, aanhef en onder a, van de WW onbillijk is. Die grief kan op grond van artikel 11 van de Wet Algemene Bepalingen, dat luidt als volgt: “De regter moet volgens de wet regt spreken: hij mag in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet beoordeelen.”, niet leiden tot het door hem beoogde gevolg, te weten overneming van het achterstallig loon in strijd met artikel 64 van de WW.

4.3. Nu geen andere grieven resteren komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

5.1. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en T. Hoogenboom en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2007.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.