Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1815

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2007
Datum publicatie
29-03-2007
Zaaknummer
05-7229 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging reiskostenvergoeding. Beleidswijziging. Vertrouwensbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/7229 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 4 november 2005, 04/3209 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Financiën (hierna: staatssecretaris),

Datum uitspraak: 15 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door J. Oreel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F. Scheffer, werkzaam bij het ministerie van Financiën.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant is sinds 1978 werkzaam bij de Belastingdienst/Regio Utrecht-Gooi (B/UG). Voor het woon-werkverkeer tussen Amerongen en Amersfoort, waarbij appellant gebruik maakt van de auto, ontving hij in 2003 een reiskostenvergoeding van € 50,98 per maand.

1.2. Naar aanleiding van een wijziging van het Verplaatsingskostenbesluit 1989 (VKB) per 1 januari 2004 heeft het managementteam B/UG, optredend namens de staatssecretaris, eind januari 2004 een intern Vervoersbeleid B/UG 2004 vastgesteld. Daaruit resulteerde een hogere vergoeding indien er bij een reisduur van langer dan een uur enkele reis een tijdwinst van minimaal een half uur optrad wanneer men gebruik maakte van eigen vervoer in plaats van het openbaar vervoer.

1.3. Appellant heeft op 30 januari 2004 zo’n hogere vergoeding, die in zijn geval € 130,- per maand bedroeg, aangevraagd. Deze is hem met terugwerkende kracht tot 1 januari 2004 toegekend. De nabetaling over de maanden januari en februari 2004 geschiedde eind februari 2004.

1.4. Op 27 februari 2004 is door middel van een bericht op de regiosite aan het personeel meegedeeld dat het nieuwe Vervoersbeleid B/UG 2004 met ingang van 1 maart 2004 wordt ingetrokken. Als reden daarvoor is opgegeven dat de bevoegdheid tot het vaststellen van afwijkend regionaal beleid ontbreekt, terwijl bovendien een te ruime uitleg is gegeven aan het al dan niet doelmatig bereikbaar zijn van kantoor.

1.5. Het door appellant tegen het aldus verlaagde maandbedrag van € 32,50, zoals vermeld op zijn salarisspecificatie over de maand maart 2004, gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit van oktober 2004, door appellant ontvangen op 2 november 2004, ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het volgende.

3.1. De grief van appellant, dat de rechtbank in haar uitspraak niet alle aangevoerde feiten en argumenten vermeld en besproken heeft, moet worden verworpen. De Raad wijst erop, dat blijkens zijn vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld CRvB 7 april 1998, LJN ZB7563 en AB 1999, 32) de rechter niet gehouden is op alle aangevoerde argumenten in te gaan, maar zich - zoals de rechtbank in dit geval heeft gedaan - kan beperken tot de kern van de grieven.

3.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel, dat het managementteam B/UG terecht heeft geoordeeld dat het met het Vervoersbeleid B/UG 2004 zijn bevoegdheid te buiten is gegaan en een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip “doelmatig” in artikel 12a van het VKB, door daarbij niet alleen acht te slaan op de doelmatige bereikbaarheid van de werkplek met het openbaar vervoer, maar tevens rekening te houden met omstandigheden die samenhangen met de woonplaatskeuze van de betrokken ambtenaren.

De stelling van appellant dat het regionale vervoersbeleid is aan te merken als een beleidsmatige invulling van voor de toepassing van de hardheidsclausule te hanteren maatstaven, kan niet worden aanvaard. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de hardheidsclausule slechts bedoeld is voor een uitzonderlijke situatie, die tot een onbillijke uitkomst van de regeling voor betrokkene leidt, en dat zo’n situatie zich in het geval van appellant niet voordeed.

3.3. Gegeven de strijdigheid met inhoud en strekking van het VKB was het managementteam B/UG niet alleen bevoegd, maar ook gehouden het regionaal vervoersbeleid B/UG 2004 zo spoedig mogelijk in te trekken. Dit wordt niet anders indien, zoals appellant heeft gesteld, het managementteam bij zijn eerdere besluitvorming bewust (te) weinig rekening heeft gehouden met de nieuwe regels.

Ook de Raad is van oordeel dat appellant aan het bericht op de regiosite van 30 januari 2004 niet het rechtens te honoreren vertrouwen kon ontlenen dat hij voor het hele jaar 2004 aanspraak zou kunnen maken op de verhoogde reiskostenvergoeding. Anders dan appellant meent, was daartoe niet vereist dat in dat bericht een uitdrukkelijk voorbehoud inzake de mogelijkheid van tussentijdse intrekking was opgenomen, omdat ingeval een fout is gemaakt in beginsel steeds de plicht bestaat om deze, met inachtneming van geschreven en ongeschreven rechtsregels en -beginselen, te herstellen.

3.4. De Raad kan appellant voorts niet volgen in zijn stelling, dat het managementteam B/UG willekeurig heeft gehandeld, door de onderhavige regeling direct in te trekken, maar een andere regeling, waarbij kosten voor het stallen van de fiets bij het station aan de medewerkers werden vergoed, nog gedurende enige tijd in stand te laten. Naar het oordeel van de Raad heeft de staatssecretaris voldoende aannemelijk gemaakt, dat genoemde regeling een (tijdelijke) voorziening beoogde te bieden in verband met het feit dat het belastingkantoor te Hilversum zelf (destijds) niet over een fietsenstalling beschikte en deze vergoedingsregeling voor de dienst een goedkopere oplossing bood dan het zelf door de dienst beschikbaar stellen van een fietsenstalling. De staatssecretaris heeft zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat beide regelingen een geheel verschillende achtergrond kenden, en in het licht van het nieuwe rijksbrede vervoersbeleid verschillend beoordeeld konden worden.

3.5. Gelet op het vertrouwensbeginsel heeft het managementteam B/UG bij de intrekking van het vervoersbeleid besloten de reeds verstrekte (bovenmatige) reiskostenvergoe-dingen over de maanden januari en februari 2004 niet terug te vorderen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris in de onderhavige situatie kon volstaan met deze tegemoetkoming aan appellant. De periode waarover de bovenmatige vergoeding is verstrekt, was immers slechts van zeer korte duur en appellant heeft niet aannemelijk kunnen maken dat hij - afgezien van teleurstelling in een financiële verwachting - nadelige gevolgen heeft ondervonden van de beleidswijziging. Hetgeen appellant in dit verband heeft aangevoerd, in het bijzonder dat het bij hem gewekte vertrouwen op een aantal punten gedragsbepalend is geweest, heeft hij niet overtuigend onderbouwd.

3.6. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) R.A. Huizer.