Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1795

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-03-2007
Datum publicatie
29-03-2007
Zaaknummer
05-2428 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit tot afwijzing verzoek om functieonderhoud niet-ontvankelijk. Geen bealng aangezien in procedure inzake functiebeschrijving inhoudelijk zelfde materie aan de orde is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2428 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 maart 2005, 04/1269 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam-Rijnmond (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 8 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. N.D. Dane, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. van Lunteren en L.M. van den Hil, beiden werkzaam bij de politieregio Rotterdam-Rijnmond.

Ter zitting is het onderzoek geschorst. Appellant heeft nadere stukken aan de Raad gezonden waarop de korpsbeheerder heeft gereageerd.

Na daartoe van partijen toestemming te hebben gekregen heeft de Raad bepaald dat het (verdere) onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft hij het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het ter zitting verhandelde gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. In 2002 heeft binnen de politieregio een reorganisatie plaatsgevonden waarbij de voorheen bestaande structuur van basiseenheden is vervangen door een structuur van wijkteams. Bij besluit van 23 juli 2002 heeft de korpsbeheerder appellant, die tot dan toe werkzaam was als chef basiseenheid in schaal 9, op zijn verzoek met ingang van 1 augustus 2002 geplaatst in de functie van chef van het [naam district]. Het betrof hier een nieuwe functie waarvan nog geen beschrijving en waardering was opgemaakt. Het schaalniveau van de functie was voorlopig bepaald op 9.

1.2. Bij brief van 13 juni 2003 heeft appellant verzocht de door hem vervulde functie hoger in te schalen, gelet onder meer op het aantal medewerkers waaraan hij leiding gaf.

1.3. Bij besluit van 8 september 2003 heeft de korpsbeheerder appellant medegedeeld dit verzoek op te vatten als een verzoek om functieonderhoud en op dat moment geen gronden te zien om aan dit verzoek te voldoen.

1.4. De bezwaarschriftencommissie rechtspositionele besluiten heeft met betrekking tot het door appellant tegen het besluit van 8 september 2003 gemaakte bezwaar overwogen dat nog geen beschrijving en waardering van de onderhavige functie is vastgesteld. Appellant was volgens de commissie derhalve te vroeg met het indienen van bedenkingen of het maken van bezwaar. In verband hiermede heeft de commissie zich op het standpunt gesteld dat de brief van 8 september 2003 louter informatief was en daarin geen (op rechtsgevolg gericht) besluit was vervat, reden waarom zij de korpsbeheerder adviseerde het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk te verklaren.

Bij zijn bestreden besluit van 17 maart 2004 heeft de korpsbeheerder dienovereenkomstig besloten.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is overwogen dat de brief van 8 september 2003 weliswaar een besluit inhield tot afwijzing van zijn verzoek om functieonderhoud, maar dat inmiddels een proces van functiebeschrijving en -waardering ten aanzien van de functie van appellant in gang was gezet en dat de besluitvorming langs deze weg eerder zou zijn afgerond dan een nieuw besluit op het bezwaar van appellant tegen het besluit van de korpsbeheerder van 8 september 2003. Gelet hierop was de rechtbank van oordeel dat appellant geen in rechte te respecteren belang had bij een beoordeling van het bestreden besluit.

3.1. Ter zitting van 11 mei 2006 van de Raad is gebleken dat de korpsbeheerder inmiddels een functiebeschrijving ten aanzien van de functie van chef wijkteam had vastgesteld en dat appellant daartegen bezwaar had gemaakt, waarop nog niet was beslist. Vanwege de korpsbeheerder is ter zitting toegezegd dat in het binnen zes weken te nemen besluit op dat bezwaar op alle door appellant in de hier aanhangige procedure aangevoerde argumenten zal worden ingegaan. In verband hiermede is het onderzoek ter zitting geschorst.

3.2. Bij brief van 5 oktober 2006 heeft appellant de Raad kenbaar gemaakt dat de korpsbeheerder op 25 juli 2006 heeft beslist op zijn bezwaar inzake de functiebeschrij-ving en dit bezwaar ongegrond heeft verklaard. In dit besluit is, aldus appellant, evenwel geen aandacht besteed aan de argumenten in zijn verzoek om functieonderhoud van

13 juni 2003. Appellant heeft deswege verzocht zijn hoger beroep gegrond te verklaren en de korpsbeheerder opdracht gegeven het verzoek om functieonderhoud alsnog in behandeling te nemen.

4.1. De Raad overweegt dat appellant tegen het besluit van de korpsbeheerder van 25 juli 2006 beroep bij de rechtbank heeft ingesteld. Dit besluit betreft de (na bezwaar gehand-haafde) eerste vaststelling van de beschrijving van de functie van chef wijkteam en werkt terug, naar in het verweerschrift is medegedeeld, tot 1 augustus 2002. Het verzoek van appellant van

13 juni 2003 (om functieonderhoud op de voorlopig voor hem van toepassing geachte functiebeschrijving en schaalindeling) ziet eveneens op de datum 1 augustus 2002. Dit betekent dat in dit geding én in het geding inzake het besluit van 25 juli 2006 inhoudelijk dezelfde materie aan de orde is, te weten de (juistheid van) de voor appellant op 1 augustus 2002 toepasselijke functiebeschrijving. Voor (een beoordeling van de noodzaak van) functieonderhoud - naast (de beoordeling van) de functiebeschrijving - ziet de Raad dan ook geen plaats. Appellant heeft daar ook geen belang bij. Onder deze omstandigheden is de Raad van oordeel dat de rechtbank het beroep van appellant terecht, zij het op niet geheel juiste grond, niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.2. De Raad merkt nog op dat van het voorgaande losstaat of de korpsbeheerder aan de onder 3.1. vermelde toezegging ter zitting van de Raad heeft voldaan. Deze laatste kwestie staat thans (mede) ter beoordeling van de rechtbank.

4.3. Gezien het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.J.W. Loots als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.J.W. Loots.

HD

07.03

Q