Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1791

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-03-2007
Datum publicatie
29-03-2007
Zaaknummer
06-109 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beƫindiging tijdelijke aanstelling van rechtswege. Toezeggingen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/141
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/109 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 december 2005, 04/3048 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: college)

Datum uitspraak: 7 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door

mr. T. Rhijnsburger, advocaat te Rotterdam. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Konijnendijk en

mr. R. de Ceuninck van Capelle, beiden werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is per 1 februari 2001 in tijdelijke dienst met een proeftijd tot 1 februari 2003 aangesteld als buschauffeur bij de divisie Bus van de Rotterdamse Electrische Tram (RET).

1.2. Op 14 februari 2002 is appellant bij de uitoefening van zijn werkzaamheden betrokken bij een aanrijding met dodelijke afloop. Naar aanleiding van dit ongeval is appellant in voorlopige hechtenis genomen. Op 7 november 2002 is appellant bij vonnis van de rechtbank Rotterdam veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden en een taakstraf van 240 uren wegens overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Daartegen heeft de officier van justitie hoger beroep ingesteld.

1.3. Bij besluit van 27 november 2002 is appellants tijdelijke aanstelling verlengd tot 1 februari 2004. Vervolgens is appellant, met handhaving van de bestaande aanstelling, dat wil zeggen een tijdelijke aanstelling met een proeftijd tot 1 februari 2004, met ingang van 1 maart 2003 overgeplaatst naar de functie van metrobestuurder bij de divisie Metro van de RET.

1.4. Bij besluit van 30 januari 2004 is aan appellant meegedeeld dat het tijdelijke dienstverband met ingang van 1 februari 2004 van rechtswege eindigt en dat zijn aanstelling nadien niet wordt voortgezet.

Dit besluit is, na bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 5 oktober 2004.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

3.1. De Raad is, anders dan appellant, van oordeel dat de rechtbank terecht heeft getoetst of het niet-verlengen van het dienstverband van appellant als buschauffeur (en niet als metrobestuurder) in rechte houdbaar is. Appellant was immers aangesteld als buschauf-feur. Weliswaar is hij in maart 2003 vanuit die aanstelling tijdelijk tewerkgesteld als metrobestuurder, maar dat betekent niet dat de aanstelling van appellant als buschauffeur was beƫindigd.

3.2. Vervolgens dient de Raad de vraag te beantwoorden of het college bij het nemen van het besluit om de aanstelling van appellant na 1 februari 2004 niet voort te zetten, heeft beslist in strijd met toezeggingen of gewekte verwachtingen. Daartoe overweegt de Raad het volgende.

3.2.1. Bij besluit van 27 november 2002 is de aanstelling van appellant verlengd tot 1 februari 2004, in afwachting van de uitspraak op het hoger beroep in de strafzaak. Daarbij is uitdrukkelijk vermeld dat de RET zich opnieuw over het in te nemen standpunt ten aanzien van de voortzetting van de aanstelling zou beraden na het bekend worden van die uitspraak dan wel indien de periode van de verlengde proeftijd dreigde te worden overschreden. Het college heeft ter toelichting opgemerkt dat men appellant, die als een goed medewerker en aimabel persoon bekend stond, het voordeel van de twijfel wilde geven. Toen het college kort voor het einde van de verlengde proeftijd een besluit moest nemen over de voortzetting van de tijdelijke aanstelling van appellant na 1 februari 2004 was op het hoger beroep in de strafzaak nog niet beslist. Het college heeft appellant toen niet opnieuw het voordeel van de twijfel willen geven maar heeft besloten het dienst-verband van appellant niet verder te verlengen.

3.2.2. De Raad is van oordeel dat het college tot dit besluit heeft kunnen komen zonder in strijd te komen met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat door de tijdelijke overplaatsing en het goed functioneren van appellant als metrobestuurder geen zodanige verwachtingen bij appellant zijn gewekt dat daarop een in rechte te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel jegens het college kan worden gebaseerd. Het is de Raad niet gebleken dat van de zijde van het college de uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging is gedaan dat de aanstelling van appellant na 1 februari 2004 op enigerlei wijze zou worden voortgezet als appellant goed zou functioneren als metrobestuurder. Met name gelet op het hiervoor onder 3.2.1. aangehaalde voorbehoud in het besluit van 27 november 2002 met betrekking tot de voortzetting van de aanstelling na 1 februari 2004, had appellant redelijkerwijs kunnen begrijpen dat het besluit om de aanstelling nadien voort te zetten niet alleen afhankelijk was van zijn functioneren als metrobestuurder maar ook van andere factoren.

De Raad stelt voorts vast dat appellant ook niet aannemelijk heeft kunnen maken dat het college op grond van een aan hem gedane toezegging gehouden was tot het plaatsen in een niet-rijdende functie. Hierbij merkt de Raad nog op dat de mogelijkheden daartoe wel zijn onderzocht, maar zonder resultaat.

3.2.3. Dat het college appellant niet opnieuw het voordeel van de twijfel heeft willen geven, komt de Raad niet onredelijk voor. Een verlenging van het dienstverband van appellant na 1 februari 2004 zou immers betekenen dat het college, gelet op het bepaalde in het Ambtenarenreglement Rotterdam, appellant wegens het verstrijken van de maximale toegestane termijn voor een tijdelijke aanstelling op proef, een vaste aanstelling zou moeten verlenen. Overigens is appellant inmiddels in hoger beroep veroordeeld wegens dood door schuld en is hem tijdelijk de rijbevoegdheid ontzegd.

3.3. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K. Zeilemaker en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) W.M. Szabo.

Q