Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1788

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2007
Datum publicatie
29-03-2007
Zaaknummer
05-1496 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beslissing tot terugvordering van onverschuldigde betaling aan (gewezen) ambtenaar, ook bij het ontbreken van een daarop toegesneden bepaling, aanmerken als een besluit. Terugvorderingstermijn. Betrokkene voldaan aan informatieverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1496 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 januari 2005, 04/1645 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

[betrokkene], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 15 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. K.I. Siem, werkzaam bij de gemeente Rotterdam. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. A. Keulemans, verbonden aan Stichting Achmea Rechtsbijstand.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het navolgende.

1.1. Betrokkene was werkzaam als administratief medewerker bij het voormalige Gemeentelijk Woningbedrijf Rotterdam. Per 1 januari 1994 is betrokkene eervol ontslagen en is hem wachtgeld toegekend. Tijdens de beroepsprocedure tegen het ontslagbesluit is naar voren gekomen dat betrokkene sedert 1 november 1995 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontving, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Naar aanleiding daarvan is in april 1996 een schikking getroffen: betrokkene zou het beroep tegen het ontslagbesluit intrekken en appellant zou het onverschuldigd uitbetaalde wachtgeld niet terugvorderen. Abusievelijk heeft appellant hierna de wachtgeldbetalingen niet beëindigd, zodat betrokkene naast zijn WAO-uitkering maandelijks wachtgeld bleef ontvangen.

In 2002 heeft appellant betrokkene een enquêteformulier toegezonden. Betrokkene heeft op dit formulier aangegeven dat het wachtgeld per juni 2002 beëindigd kan worden, hetgeen vervolgens is geschied.

1.2. Bij besluit van 25 juni 2003 heeft appellant € 86.672,63, zijnde het teveel betaalde wachtgeld over de periode juni 1998 tot en met mei 2002 van betrokkene teruggevorderd. Appellant heeft dit besluit, na bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 27 april 2004.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van zijn uitspraak. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat buiten geschil is dat betrokkene wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat hij ten onrechte wachtgeld ontving, zodat appellant het onverschuldigd betaalde wachtgeld gedurende twee jaar na de dag van uitbetaling kon terugvorderen. Volgens de rechtbank is er echter geen sprake van onverschuldigde betaling door toedoen van betrokkene, omdat niet gebleken is van enig actief handelen van de zijde van betrokkene waardoor de onverschuldigde betaling tot stand is gekomen dan wel heeft voortgeduurd. Het enkele feit dat betrokkene geen melding heeft gemaakt van de maandelijkse wachtgeldbetalingen maakt volgens de rechtbank niet dat de onverschul-digde betaling door betrokkenes toedoen is ontstaan, nu gesteld noch gebleken is dat de onjuiste betalingen zijn toe te rekenen aan door betrokkene verstrekte of verzwegen informatie dan wel aan manipulatie door betrokkene. De onverschuldigde betaling is veeleer te wijten aan de gebrekkige controle van de zijde van appellant, aldus de rechtbank.

3. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd het navolgende.

3.1. De Raad volgt appellant niet in het standpunt dat de rechtbank betrokkene ten onrechte in zijn beroep heeft ontvangen omdat geen sprake zou zijn van een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu het wachtgeld destijds aan betrokkene als gewezen ambtenaar is toegekend op grond van de gemeentelijke Wachtgeld-verordening, is de rechtsverhouding tussen betrokkene en appellant er een van publiek-rechtelijke aard en was het toekenningsbesluit een besluit in de zin van de Awb. Naar vaste jurisprudentie - verwezen kan worden naar CRvB 30 december 2003, LJN AO2037, TAR 2004, 46 - ziet de Raad ook na de invoering van de Awb, de beslissing tot terug-vordering van onverschuldigde betaling(en) aan een (gewezen) ambtenaar, ook bij het ontbreken van een daarop toegesneden bepaling, als een voor bezwaar en beroep bij de bestuursrechter vatbaar besluit. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene derhalve terecht ontvankelijk geacht.

3.2. Ook overigens deelt de Raad het oordeel van de rechtbank. Niet gebleken is dat betrokkene debet is aan de door appellant gemaakte fout, nu niet gezegd kan worden dat betrokkene een op hem op grond van de Wachtgeldverordening rustende informatie-verplichting niet is nagekomen. Evenmin blijkt uit de stukken met betrekking tot de in 1996 getroffen schikking dat betrokkene zich ertoe verbonden heeft appellant te informeren omtrent een samenloop van inkomsten. Ook heeft betrokkene geen onjuiste inlichtingen verstrekt of onjuiste verklaringen afgelegd. Pas in 2002 heeft appellant aan betrokkene een enquêteformulier Wachtgeld toegezonden en is gebleken dat betrokkene na april 1996 ten onrechte wachtgeld is blijven ontvangen, en pas toen zijn de betalingen stopgezet.

Nu de onterechte betalingen echter niet het gevolg zijn van enig toedoen van betrokkene was appellant niet bevoegd het teveel betaalde over een periode van vijf jaar van betrokkene terug te vorderen en kon de terugvordering zich slechts uitstrekken over een periode van twee jaar.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep ten bedrage van € 644,- aan kosten van rechtskundige bijstand, te betalen door de gemeente Rotterdam;

Bepaalt dat van de gemeente Rotterdam een griffierecht van € 428,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.J. Rentmeester als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) A.J. Rentmeester.