Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1785

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2007
Datum publicatie
29-03-2007
Zaaknummer
05-4173 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens ongeschiktheid anders dan ziekte. Houding en gedrag niet acceptabel? Draagvlak onderzoek. Zorgvuldigheid?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4173 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 17 juni 2005, 2004/2725 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leusden (hierna: college)

Datum uitspraak: 15 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door

mr. R.H.A. Wessel, advocaat te ’s-Gravenhage. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.G. Kerkhof, advocaat te

’s-Hertogenbosch en I.M. Thijsse Claase-Schrijver en P. van Leersum, beiden werkzaam bij de gemeente Leusden.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is sedert 1991 werkzaam als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer van Leusden, vanaf 1 juli 2001 als [functie]. In de loop der jaren zijn het gedrag en de houding van appellant onderwerp van gesprek geweest. Ook hebben zich diverse incidenten voorgedaan en zijn er conflicten geweest, die weer werden bijgelegd. Bij dit alles was het vakmatig functioneren van appellant nimmer in geding. Medio 2003 is de situatie geëscaleerd door een incident waarbij appellant een vrijwilligster onheus heeft bejegend. Daarop is appellant geschorst en is in overleg met appellant een zogeheten draagvlakonderzoek uitgevoerd. De conclusie van dit onderzoek was dat binnen de brandweer onvoldoende draagvlak bestond voor verantwoord functioneren van appellant. Bij besluit van 30 maart 2004 is appellant op grond van artikel 19:1:39, eerste lid, aanhef en onder g, van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Leusden met ingang van 1 april 2004 eervol ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werkzaamheden anders dan op grond van ziekten of gebreken. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 14 september 2004.

2. De rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank achtte voldoende aannemelijk geworden dat het vertrouwen in appellant bij een groot deel van zijn collega’s door appellants onprofessionele optreden en onjuiste houding is verdwenen. Het rapport van het draagvlakonderzoek achtte de rechtbank daarvan een bevestiging. Gelet daarop was de rechtbank van oordeel dat appellant niet geschikt is voor de [functie].

3.1. In hoger beroep heeft appellant opnieuw aangevoerd dat het draagvlakonderzoek niet zorgvuldig is uitgevoerd, omdat in het kader daarvan collega’s van appellant zijn geïnterviewd, maar van die gesprekken geen verslagen zijn gemaakt, althans niet aan appellant ter beschikking zijn gesteld. In het rapport is slechts samenvattend verslag gedaan van de uitkomst van de gesprekken. Niet alleen heeft appellant zich aldus niet tegen de aantijgingen kunnen verweren, maar ook heeft het college zich er niet van kunnen vergewissen dat het onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en of de conclusie strookt met de bevindingen. Zelfs de geïnterviewden zijn niet in de gelegenheid gesteld te verifiëren of hetgeen zij naar voren hadden gebracht goed was overgekomen.

3.2. De Raad stelt vast dat het draagvlakonderzoek er wat betreft het functioneren van appellant op gericht was om van een deel (22 van de 54) van zijn collega’s te vernemen hoe appellant als collega werd ervaren. Nu gespreksverslagen ontbreken is niet alleen appellant in zijn verdediging geschaad, maar kon het college - dat ook niet over gespreks-verslagen beschikt - en kan ook de Raad niet verifiëren of de conclusie uit het rapport berust op een zorgvuldig uitgevoerd onderzoek en wordt gedragen door hetgeen in dat onderzoek naar voren is gekomen. De Raad ziet dit rapport dan ook als niet meer dan een opiniepeiling, die niet kan worden gebruikt als onderbouwing van de stelling dat appellant ongeschikt is voor zijn functie van [functie]. De Raad zal dat rapport dan ook terzijde leggen.

3.3. Appellant heeft in hoger beroep voorts naar voren gebracht dat hem geen verbeter-kansen zijn geboden, zodat zijn ongeschiktheid niet is komen vast te staan. Ook is appellant van opvatting dat het college onvoldoende heeft gedaan om het vertrouwen in hem te herstellen.

3.4. Die stellingen onderschrijft de Raad niet. Uit de gedingstukken komt genoegzaam naar voren dat het optreden van appellant op verschillende momenten (bijvoorbeeld in 1994, 1995, 1997 en 1998) met hem is besproken en dat daarbij aangegeven is dat dit optreden weerstand opriep bij zijn collega’s en dat hij daarin verbetering moest zien te brengen. Zo is erop gewezen dat hij minder op de voorgrond moest treden, minder zijn eigen gang moest gaan en bij oefeningen moest doen wat hem werd gevraagd of opgedragen. Hieruit trekt de Raad de conclusie dat appellant in het verleden herhaaldelijk is geconfronteerd met zijn tekortkomingen en dat hem ruim de kans is gegeven daarin verbetering te brengen. De gedingstukken laten ook zien dat verschillende malen is gepoogd te bemiddelen bij conflicten die rondom de persoon van appellant waren ontstaan. Zo is in 1998 een conflict tussen appellant en de [functie]s van groep 202 uitgesproken en is in 2003 bemiddeld in een conflict tussen appellant en één van zijn collega’s. De Raad heeft op grond hiervan de overtuiging gekregen dat door het college voldoende inspanningen zijn verricht om de werksfeer te verbeteren.

3.5. Naar het oordeel van de Raad hanteert het college met recht als uitgangspunt dat voor een professionele en kwalitatief goede uitvoering van de taken van een brandweerkorps, mede gelet op het belang van het werk en de daaraan verbonden risico’s, een goede onderlinge samenwerking en onderling vertrouwen een absolute noodzaak is. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de Raad tot de slotsom gekomen dat die in dit geval niet langer verzekerd zijn en dat de oorzaak daarvan vooral moet worden gezocht bij appellant. Uit de in aanmerking te nemen gegevens rijst het beeld op van een zeer gedreven en vakinhoudelijk bekwame brandweerman, die te weinig oog heeft voor de onderlinge verhoudingen en die door zijn dominante wijze van optreden weerstand oproept bij de mensen met wie hij moet samenwerken. Nu appellant sedert 2001 een [functie] bekleedt binnen het brandweerkorps doet zich dat laatste nog meer gevoelen. De Raad wijst daarbij met name op de onheuse bejegening van een vrijwilligster in juli 2003 die de onmiddellijke aanleiding vormde voor dit ontslag. Niet alleen heeft appellant daarmee blijk gegeven van een onjuiste houding tegenover zijn manschappen, maar vervolgens heeft hij zichzelf verder in diskrediet gebracht door het gebeurde - aanvankelijk - te ontkennen. Het college heeft zich naar het oordeel van de Raad dan ook met recht op het standpunt gesteld dat appellant niet beschikt over de eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie van [functie] bij de (vrijwillige) brandweer vereist zijn.

3.6. De Raad acht voorts geen grond aanwezig voor de stelling dat het college niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid appellant te ontslaan. Meer in het bijzonder ziet de Raad geen aanknopingspunten voor de stelling dat aan deze ontslagverlening een financiële vergoeding zou moeten worden verbonden wegens het aandeel van het college in de situatie die grond vormde voor het ontslag. Daarbij verwijst de Raad naar hetgeen in 3.4. en 3.5. is overwogen.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en K. Zeilemaker en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2007.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) O.C. Boute.