Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1782

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-03-2007
Datum publicatie
29-03-2007
Zaaknummer
06-749 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding? Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/749 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 december 2005, 05/1104 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 27 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.M. van Lieshout, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg.nr. 06/2952 WWB, plaatsgevonden op

13 februari 2007, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Lieshout, en waar het College zich heeft laten vertegenwoordigen door E.J.W. Bruinsma, werkzaam bij de gemeente Utrecht. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst.

In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

Naar aanleiding van de mededeling van appellante in maart 2004 dat zij met ingang van 1 maart 2004 aan J.P.T. [A.] (hierna: [A.]) een kamer verhuurt, heeft het Team Handhaving van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling (Sociale Zaken & Werkgelegenheid) van de gemeente Utrecht een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellante. In dat kader is op 29 oktober 2004 een huisbezoek gebracht aan de woning van appellante en hebben appellante en [A.] op 9 november 2004 een verklaring afgelegd. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 21 december 2004. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 23 december 2004 de bijstandsuitkering van appellante met ingang van 1 maart 2004 te beëindigen op de grond dat appellante vanaf die datum zonder daarvan aan het College melding te hebben gemaakt, een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [A.].

Bij besluit van 25 maart 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 23 december 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 25 maart 2005 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij stelt zich op het standpunt dat zij geen gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt voorop dat hij in zijn uitspraak van 18 juli 2006 (LJN AY5142) heeft geoordeeld dat van beëindiging van bijstand sprake is, wanneer aan een besluit tot toekenning van (periodieke) bijstand de juridische werking wordt ontnomen met ingang van een dag die is gelegen op of na de datum van het primaire (beëindigings)besluit. In een geval als het onderhavige waarin het besluit tot toekenning van bijstand vanaf een in het verleden gelegen datum of een in het verleden gelegen periode in verband met een schending van de wettelijke inlichtingenverplichting ongedaan wordt gemaakt, is evenwel geen sprake van beëindiging maar van intrekking. Daarvoor vormt artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de - formele - bevoegdheidsgrondslag.

De Raad stelt vervolgens vast dat de aan appellante verleende bijstand bij het primaire besluit van 23 december 2004 met ingang van 1 maart 2004 is ingetrokken, dat het College de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode en dat de intrekking bij besluit op bezwaar van 23 maart 2005 onverkort is gehandhaafd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 1 maart 2004 tot en met 23 december 2004.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt als gehuwd of als echtgenoot aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Op grond van het derde lid van dat artikel is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

De Raad is van oordeel dat de gedingstukken een toereikende grondslag bieden voor het standpunt dat appellante en [A.] van 1 maart 2004 tot 9 december 2004 hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellante aan de [straatnaam] [nummer] te [woonplaats]. De Raad acht met name van betekenis dat [A.] gedurende die periode op dat adres ingeschreven stond, daar een kamer huurde en zijn administratie bewaarde en op de facturen van zijn bedrijf dat adres vermeldde. Voorts stond het bedrijf van [A.] bij de Kamer van Koophandel te [woonplaats] op genoemd adres geregistreerd. [A.] verbleef regelmatig op de [straatnaam] en ontving daar maandelijks gedurende de weekends zijn kinderen. In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen gaat de Raad voorbij aan de stelling van appellante dat [A.] slechts enkele dagen per week in haar woning verbleef. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellante geen opheldering heeft verschaft over het adres of de adressen waar [A.] wel zou hebben verbleven.

De Raad is voorts van oordeel dat de gedingstukken voldoende aanknopingspunten bieden om aan te nemen dat appellante en [A.] gedurende de periode van 1 maart 2004 tot 9 december 2004 blijk hebben gegeven zorg te dragen voor elkaar. De Raad hecht hierbij in het bijzonder betekenis aan de bevindingen van het huisbezoek van 29 oktober 2004. Appellante heeft tijdens dat huisbezoek verklaard dat [A.] gebruik maakt van de woonkamer van haar woning, dat zij de kamer van [A.] gebruikt voor de opslag van goederen en het drogen van de was, dat zij en [A.] af en toe samen eten, samen met zijn auto de grote boodschappen doen en soms gezamenlijke activiteiten ondernemen. De Raad tekent daarbij nog aan dat [A.] tijdens de zitting van de Raad heeft verklaard dat de woon- en leefsituatie zoals deze was ten tijde van het huisbezoek niet wezenlijk verschilde van die in de daarvoor gelegen periode.

Naar het oordeel van de Raad heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een door zakelijke verhoudingen beheerste kamerhuurrelatie. De Raad heeft daarbij van belang geacht dat de hoogte van de door [A.] betaalde huur, gelet op de door appellante gederfde huursubsidie en de verlaging van de toeslag op haar bijstandsuitkering, niet als een commerciële vergoeding voor onderdak kan worden beschouwd. In aanmerking genomen de wederzijds verleende zorg is de Raad voorts van oordeel dat in de situatie van appellante en [A.] hetgeen in een commerciële relatie gebruikelijk is, wordt overschreden.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat appellante en [A.] van 1 maart 2004 tot 9 december 2004 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Appellante kon derhalve gedurende deze periode niet meer worden beschouwd als zelfstandig subject van bijstandsverlening, zodat zij geen recht had op een uitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder. Van de gezamenlijke huishouding heeft appellante, in strijd met de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw en artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting aan het College geen mededeling gedaan. Als gevolg daarvan is aan appellante over de periode van 1 maart 2004 tot 9 december 2004 ten onrechte bijstand verleend. Het College was derhalve op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand van appellante over die periode in te trekken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

De voorhanden gegevens bieden naar het oordeel van de Raad onvoldoende grondslag voor het standpunt dat appellante en [A.] ook van 9 december 2004 tot en met 23 december 2004 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. De Raad acht in dat kader van belang dat [A.] vanaf 9 december 2004 niet meer op het adres aan de [straatnaam] [nummer] te [woonplaats] stond ingeschreven, dat appellante onweersproken heeft gesteld dat [A.] daar toen niet meer woonachtig was en [A.] heeft verklaard dat hij op 9 december 2004 bij zijn moeder is ingetrokken.

Het vorenstaande betekent dat het besluit van het College van 25 maart 2005, voor zover dat betrekking heeft op de periode van 9 december 2004 tot en met 23 december 2004, op een ondeugdelijke motivering berust. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 25 maart 2005 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen voor zover het betreft de periode van 9 december 2004 tot en met 23 december 2004. De Raad zal het College opdragen ten aanzien van deze periode een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 25 maart 2005 voor zover dat ziet op de intrekking van de bijstand over de periode vanaf 9 december 2004;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,-- , te betalen door de gemeente Utrecht;

Bepaalt dat de gemeente Utrecht aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2007.

(get.) C. van Viegen.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.