Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1775

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2007
Datum publicatie
29-03-2007
Zaaknummer
05-5939 AW + 05-5940 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Negatieve beoordeling; ongeschiktheidsontslag; toetsingsmaatstaf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/111
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5939 AW + 05/5940 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Maastricht van 12 augustus 2005, 04/2087 en 04/2088 (hierna: aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (hierna: college)

Datum uitspraak: 15 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2007. Appellante is verschenen met bijstand van haar echtgenoot, J.M. [M.]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.L.S. van Cruijningen, advocaat te ’s-Hertogenbosch, en door mr. V.M.P.J. Tillmann, werkzaam bij de gemeente Maastricht.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is met ingang van 1 oktober 2002 in tijdelijke dienst voor de duur van drie jaar aangesteld als [functie] bij de afdeling [afdeling] van de dienst [dienst] van de gemeente Maastricht. Op 17 februari 2003 heeft een functioneringsgesprek plaatsgevonden. Op 11 maart 2003 is appellante door ziekte uitgevallen. Met ingang van 1 september 2003 is zij met het oog op werkhervatting voor een jaar gedetacheerd bij de Hogeschool Zuyd. Bij brief van 30 oktober 2003 is aan appellante een beoordeling van haar functioneren over de periode van 1 oktober 2002 tot 1 maart 2003 toegezonden met als eindoordeel "onvoldoende". Bij brief van 4 november 2003 heeft het college haar meegedeeld dat er een "no-fit situatie" is ontstaan, in die zin dat de functie-inhoud niet voldoet aan de verwachtingen van appellante, dat het functioneren van appellante niet voldoet aan de door het college redelijkerwijs te stellen verwachtingen en dat geen zicht bestaat op verbetering van de situatie. Daarbij is aangegeven dat een tijdelijke oplossing is gevonden in de vorm van detachering bij de Hogeschool Zuyd, maar dat de inspanningsactiviteit om appellante intern dan wel extern te plaatsen hoe dan ook uiterlijk per 1 september 2004 zal worden beëindigd.

1.2. Bij besluit van 2 april 2004 heeft het college de beoordeling ongewijzigd vastgesteld. Bij het bestreden besluit van

27 oktober 2004 (besluit 1) is het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard, met dien verstande dat het eindoordeel is gewijzigd in "enigszins onvoldoende".

1.3. Bij brief van 18 juni 2004 heeft het college appellante in kennis gesteld van het voornemen om met toepassing van artikel 8:6 (ontslag wegens ongeschiktheid/ onbekwaamheid) van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Maastricht (AGM) haar tijdelijke aanstelling met ingang van 1 september 2004 te beëindigen. Bij besluit van 19 juli 2004, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 6 december 2004 (besluit 2), heeft het college aan dit voornemen uitvoering gegeven.

1.4. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

2. De beoordeling (besluit 1)

2.1. In hoger beroep heeft appellante een groot aantal bezwaren tegen de wijze van totstandkoming van de beoordeling herhaald en zich opnieuw op het standpunt gesteld dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust en niet met concrete voorbeelden is onderbouwd.

2.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de formele bezwaren geen doel treffen. Dat appellante na het functioneringsgesprek van 17 februari 2003 nauwelijks meer heeft gewerkt stond niet aan de beoordeling in de weg. Een beoordeling is een weergave van het feitelijk functioneren. Zeker bij een eerste beoordeling, welke in het systeem van de Regeling personeelsbeoordeling maximaal zes maanden na aanvang van de functie plaatsvindt, en welke appellante reeds in de aanstellingsbrief is aangezegd, is op zichzelf niet van belang of de betrokkene in de gelegenheid is gesteld het functioneren te verbeteren. Dat appellante is beoordeeld aan de hand van criteria waarop zij niet bedacht behoefde te zijn, kan niet worden staande gehouden. De algemene gemeentelijke beoordelingscriteria voor de functie [functie] zijn aan appellante uitgereikt. De in de beoordeling uitgewerkte gezichtspunten betreffen voorts de normale, goede vervulling van de functie. Wat dit voor appellante inhield, kan haar redelijkerwijs niet onduidelijk zijn geweest. Weliswaar zijn vooraf geen nauwkeurig gekwantificeerde (productie)normen gesteld, maar het functioneren van appellante is ook niet aan dit soort normen getoetst. Evenmin kan worden gezegd dat de beoordelingsperiode, welke de eerste vijf maanden besloeg en daarmee op zichzelf aan de eisen van de Regeling personeelsbeoordeling voldeed, onredelijk kort was, te minder nu appellante korte tijd nadien definitief is uitgevallen. Met de door appellante ondervonden problemen van medische aard is voldoende rekening gehouden door daarvan melding te maken in de rubriek bijzondere omstandigheden die de beoordeling ongunstig beïnvloeden. Bovendien is bij de waardering op het gezichtspunt kwantiteit uitdrukkelijk onder ogen gezien dat het onvoldoende resultaat mede is veroorzaakt doordat appellante regelmatig wegens ziekte afwezig was. Voor zover anderszins sprake is geweest van onzuiverheden bij de totstandkoming van de beoordeling, zijn deze van ondergeschikte betekenis en is niet gebleken dat appellante erdoor in haar belangen is geschaad.

2.3. Ook de stelling dat de beoordeling onvoldoende is onderbouwd kan de Raad niet onderschrijven. Op de hoorzitting is door de leidinggevende per gezichtspunt nader aangegeven welke feiten en omstandigheden aan het negatieve oordeel ten grondslag zijn gelegd. Nu appellante - bewust - niet op de hoorzitting heeft willen verschijnen, zijn de stellingen van de leidinggevende daar niet weersproken. Dat de nadere onderbouwing daardoor wellicht wat algemener is gebleven dan anders het geval zou zijn geweest, komt onder die omstandigheden voor rekening van appellante. Ook nadien heeft appellante deze onderbouwing door de leidinggevende niet op inhoudelijke gronden bestreden. Aan hetgeen eerst ter zitting in hoger beroep door haar is aangevoerd - en een nader onderzoek zou vergen - gaat de Raad daarom in het belang van een goede procesorde voorbij.

2.4. Al met al kan ook de Raad niet tot de conclusie komen dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust. Besluit 1 houdt in rechte stand en de daarop betrekking hebbende aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

3. De tussentijdse beëindiging van de tijdelijke aanstelling (besluit 2)

3.1. De Raad ziet geen grond voor de stelling van appellante dat zij, in weerwil van de bewoordingen van het aanstellingsbesluit, niet in tijdelijke maar in vaste dienst zou zijn aangesteld.

3.2. Hoewel de primaire beslissing van 19 juli 2004 enigszins ongelukkig is geformuleerd kan deze gezien het in de aanhef vermelde onderwerp en in samenhang met het voornemen van 18 juni 2004, redelijkerwijs niet anders worden opgevat dan als gericht op het rechtsgevolg van tussentijds ontslag uit de tijdelijke dienstbetrekking. Voorts was aan het slot de bezwarenclausule vermeld. In bezwaar en beroep is dan ook terecht aangenomen dat het hier gaat om een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3.3. Ingevolge artikel 8:12:1 van de AGM kan - in aanvulling op de in artikel 8:12 genoemde specifieke gronden - de ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor bepaalde tijd ook ontslag worden verleend op een van de andere gronden genoemd in hoofdstuk 8. Het ontslagbesluit stelt, in samenhang met het voornemen tot ontslag, buiten twijfel dat het (tussentijdse) ontslag van appellante met toepassing van deze bepaling is verleend op de grond genoemd in artikel 8:6 van de AGM, te weten: onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken. Ter beoordeling staat dan ook of het college zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellante ongeschikt is voor haar functie van [functie] bij de afdeling [afdeling], hetgeen zich toespitst op het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn. Voor zover het college een andere toetsingsmaatstaf heeft bepleit, gaat zijn betoog niet op.

3.4. Op grond van de beoordeling, die blijkens het hiervóór overwogene in rechte stand houdt, staat vast dat appellante gedurende de eerste vijf maanden van haar tijdelijke aanstelling niet zelfs op geen enkel relevant gezichtspunt is kunnen komen tot een uitoefening van de functie in overeenstemming met de daaraan te stellen eisen.

3.5. Anders dan hiervóór is geoordeeld ten aanzien van de beoordeling, speelt bij een ongeschiktheidsontslag in het algemeen wel een rol of de betrokkene tijdig met het onvoldoende functioneren is geconfronteerd en in de gelegenheid is gesteld daarin verbetering te brengen. In dit geval komt echter uit de stukken duidelijk naar voren dat partijen het er reeds na enkele maanden over eens waren dat appellante in deze functie niet de juiste vrouw op de juiste plaats was. In dit verband kan worden gewezen op het verslag van het functioneringsgesprek van 17 februari 2003, de reactie daarop van appellante, het feit dat appellante zelf op detachering heeft aangedrongen, de no-fit-brief van 4 november 2003 en de reactie daarop van appellante bij brief van 7 december 2003, waarin zij aangeeft zich te kunnen vinden in de conclusie dat sprake is van een "mismatch" tussen haarzelf en de werkinhoud van de functie en dat een voortzetting van/in de huidige functie niet wenselijk is. Gelet hierop heeft het college zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de ongeschiktheid van appellante voor haar functie - en andersom - definitief was komen vast te staan en dat pogingen tot verbetering bij voorbaat waren gedoemd te mislukken.

3.6. De stelling van appellante dat ten onrechte geen onderzoek is ingesteld naar mogelijke oorzaken in de medische sfeer, treft evenmin doel. De verdrietige afloop van appellantes zwangerschap in juli 2004 was ten tijde van de daadwerkelijke functie-uitoefening nog niet aan de orde. Indien de zwangerschap als zodanig van invloed is geweest op de kwaliteit van het werk en het welbevinden in de functie, kan dit hoogstens vanaf januari 2004 het geval zijn geweest. Aannemelijk is dat de aanwijzingen voor de mismatch reeds geruime tijd eerder aan het licht waren getreden. Bovendien heeft appellante in geen enkel stadium van de procedure een geneeskundig rapport of andere objectiveerbare medische gegevens overgelegd waaruit een relevante medische oorzaak voor haar onvoldoende functioneren in de beoordelingsperiode kan worden afgeleid. De enkele stelling van appellante dat zij de bedrijfsarts heeft gemachtigd om inlichtingen in te winnen bij de behandelende sector is daartoe niet voldoende.

3.7. Artikel 8:12:1 van het AGM biedt een grondslag voor tussentijds ontslag uit een tijdelijke aanstelling en uit de bepalingen van de AGM kan overigens geen verplichting worden afgeleid om appellante ter voorkoming van tussentijds ontslag in een andere functie te herplaatsen of daartoe pogingen te ondernemen. Door in te stemmen met de detachering en nadien enkele mogelijke andere functies ter sprake te brengen die appellante tijdens de - volgens de brief van 4 november 2003 - resterende duur van haar tijdelijke aanstelling zou kunnen vervullen, heeft het college ruimschoots invulling gegeven aan hetgeen onder de gegeven omstandigheden uit een oogpunt van zorgvul-digheid kon worden verlangd. Daarbij is van belang dat appellante al eerder - blijkbaar zonder problemen - bij een gemeente had gewerkt en niettemin reeds kort na aanvang van het dienstverband in de onderhavige functie is vastgelopen.

3.8. Ook met betrekking tot het ontslag treft het hoger beroep dus geen doel en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en R. Kooper en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) O.C. Boute.

Q