Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1753

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-03-2007
Datum publicatie
29-03-2007
Zaaknummer
05-2101 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Fybromyalgie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2101 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 14 maart 2005, 03/2276 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2007, waarbij appellante, met kennisgeving, niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Jansen-van Winden.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, voorheen werkzaam als doktersassistente voor 40 uur per week, meldde zich ziek in maart 2001 met chronische spier- en gewrichtsklachten. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. In het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft per einde wachttijd een beoordeling plaatsgevonden. Appellante is door verzekeringsarts I.C.M. Out op het spreekuur van 2 april 2002 gezien en onderzocht. Deze heeft vastgesteld dat bij appellante sprake is van medische beperkingen ten aanzien van de algehele belastbaarheid van het bewegingsapparaat en met name ten aanzien van het hand- en vingergebruik. Langdurige repetitieve handelingen zijn niet mogelijk, doch gedoseerde inspanningen zijn haalbaar. De verzekeringsarts heeft een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) d.d. 2 april 2002 opgesteld en daarin beperkingen opgenomen ten aanzien van vorengenoemde belastbaarheid. Naar aanleiding van nader ingekomen informatie van de huisarts van appellante van 12 juni 2002 heeft Out in zijn rapportage van 20 juni 2002 gesteld dat deze informatie geen aanleiding geeft voor een wijziging van de eerder vastgestelde belastbaarheid.

De arbeidsdeskundige B. van Dijk heeft vervolgens op basis van de FML een aantal functies geselecteerd waartoe appellante in staat zou zijn. Vergelijking van het inkomen dat met deze functies verdiend kan worden met het maatvrouwinkomen van appellante leidt blijkens de rapportage van de arbeidsdeskundige van 2 mei 2002 tot een verlies aan verdiencapaciteit van 0,77%.

Bij besluit van 15 mei 2002 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 18 maart 2002 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de WAO.

In bezwaar heeft appellante gesteld dat zij als gevolg van fibromyalgie lichamelijke en psychische beperkingen heeft en dat zij als gevolg daarvan maar twintig uur per week kan werken.

Nadat bezwaarverzekeringsarts K.L. Tetelepta-Tan in haar rapport van 18 maart 2003 de conclusie van de primaire verzekeringsarts had onderschreven, heeft het Uwv bij besluit van 8 juli 2003 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

In beroep heeft de gemachtigde van appellante een rapport van zenuwarts dr. H.L.S.M. Busard ingebracht die haar op 10 juni 2004 heeft onderzocht. Busard is tot de conclusie gekomen dat appellante als gevolg van fibromyalgie en een ongedifferentieerde somatoforme stoornis beperkingen heeft tot het verrichten van arbeid. Naar zijn mening is appellante niet in staat om fulltime te werken. Hierop is van de zijde van het Uwv gereageerd door middel van een rapport van

6 december 2004 van bezwaarverzekeringsarts Tetelepta-Tan.

De rechtbank heeft het Uwv verzocht een nadere toelichting te geven met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

In reactie hierop heeft het Uwv bij brief van 4 januari 2005 een rapportage van bezwaararbeidsdeskundige R.E.T. Peters overgelegd.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en daarbij de rechtsgevolgen van dit besluit in stand gelaten nu het Uwv eerst in beroep voldoende inzicht heeft gegeven in de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. Met betrekking tot de medische kant van de zaak heeft de rechtbank geoordeeld dat in het rapport van Busard onvoldoende gemotiveerd is weergegeven waarom op grond van de diagnose ongedifferentieerde somatoforme stoornis bij appellante psychische beperkingen zouden moeten worden aangenomen. Tevens heeft de rechtbank geoordeeld dat de stelling van appellante dat zij als gevolg van fibromyalgie beperkt dient te worden tot een maximum van 22 uren per week eveneens niet met voldoende medisch objectiveerbare gegevens is onderbouwd.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte de overwegingen van Busard niet heeft gevolgd.

De Raad overweegt als volgt.

Naar het oordeel van de Raad is het geneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig geweest. Verzekeringsarts Out heeft appellante onderzocht en de informatie van de huisarts van 12 juni 2002 bij de beoordeling meegewogen. In zijn rapport van

2 april 2002 heeft deze arts de diagnose fibromyalgie gesteld en in de FML van gelijke datum rekening gehouden met de hieruit voortvloeiende beperkingen van appellante.

Ten aanzien van het rapport van Busard is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat Busard zijn conclusie dat appellante niet in staat is om volledig te werken op grond van de diagnose ongedifferentieerde somatoforme stoornis, niet aan de hand van een objectief, medische onderbouwing genoegzaam heeft gemotiveerd. Daarbij neemt de Raad de reactie van 6 december 2004 van bezwaarverzekeringsarts Tetelepta-Tan op het desbetreffende rapport in aanmerking. Deze arts heeft het rapport van Busard uitvoering besproken en daarbij beargumenteerd dat er bij appellante weliswaar somatisch de diagnose fibromyalgie is gesteld waarbij het gehele klachtenpatroon van appelante past, maar dat met de daaruit voortvloeiende beperkingen reeds ruimschoots rekening is gehouden in de FML. De Raad ziet geen aanleiding om aan die conclusie te twijfelen. De in hoger beroep namens appellante overgelegde medische stukken, te weten een brief van de psycholoog drs. F.J.C.M. Verhulst van 9 september 2000 en een brief van de psychiater dr. Drijkoningen van 9 december 2005, leiden de Raad niet tot een ander oordeel. In de rapportage van 29 januari 2007 heeft de bezwaarverzekeringsarts

A. Deitz afdoende gemotiveerd waarom deze brieven geen argumenten opleveren om meer beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid aan te nemen.

Wat betreft het arbeidskundige aspect van de onderhavige beoordeling kan de Raad de rechtbank volgen in hetgeen ten aanzien van de aan appellante voorgehouden functies is overwogen. Gelet hierop en mede gelet op de door het Uwv in hoger beroep gegeven aanvullende informatie met betrekking tot de belasting ten aanzien van het aspect staan, ziet de Raad geen aanleiding te twijfelen aan de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

De Raad is dan ook van oordeel dat het Uwv terecht heeft besloten dat appellante met ingang van 18 maart 2002 geen recht heeft op een uitkering in gevolge de WAO.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en M.C. Bruning en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2007.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) P. van der Wal.