Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1617

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2007
Datum publicatie
28-03-2007
Zaaknummer
05-5583 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroep bij de rechtbank had niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat het procesbelang van betrokkene was komen te vervallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5583 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 3 augustus 2005, 04/2776 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede (hierna: college)

Datum uitspraak: 15 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2007. Appellant is in persoon verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.W.C. ten Dam en G.S.L. Bertelink, beiden werkzaam bij de gemeente Ede.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is sinds 1986 in vaste dienst bij de gemeente Ede. Tot maart 1997 vervulde hij de functie van [functie] bij de hoofdafdeling [afdeling]. Bij besluit van 12 maart 1997 is appellant bovenformatief geplaatst voor het verrichten van tijdelijke administratief ondersteunende werkzaamheden bij onder andere de hoofdafdeling Werk, Inkomen en Zorg. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.

1.2. Bij besluit van 13 februari 2004, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 7 oktober 2004, heeft het college appellant met toepassing van het Sociaal Statuut 2004 en het Sociaal Plan 2004 aangemerkt als herplaatsingskandidaat. Hierbij is aangegeven dat na een periode van 1 tot 1,5 jaar ontslag kan volgen, wanneer er na deze periode geen uitzicht is op een passende of geschikte functie.

1.3. Bij besluit van 21 juni 2005 heeft het college de aanwijzing van appellant als herplaatsingskandidaat per direct ingetrokken. Hierbij is vermeld dat de ontslagdreiging vervalt en dat appellant bovenformatief werkzaam blijft op de hoofdafdeling Werk, Inkomen en Zorg.

1.4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd met bepaling dat het college een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. De rechtbank heeft daaraan ten grondslag gelegd haar opvatting dat het geschil zich toespitst op de vraag of appellants functie al dan niet is opgeheven en die vraag vervolgens ontkennend beantwoord.

1.5. Door appellant is in hoger beroep - kort samengevat - aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen termijn heeft verbonden aan de opdracht tot het nemen van een nieuw besluit en dat de rechtbank ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan en uitspraak heeft gedaan over zijn bovenformatieve status.

2. De Raad overweegt het volgende.

2.1. Anders dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak is de Raad van oordeel dat het college met het besluit van 21 juni 2005 het primaire besluit van 13 februari 2004 duidelijk en onvoorwaardelijk heeft ingetrokken. Dat besluit behelsde immers niet meer of anders dan de aanwijzing tot herplaatsingskandidaat. Met de intrekking daarvan is de wijziging van de rechtspositie van appellant die als rechtsgevolg was verbonden aan het besluit van 13 februari 2004 volledig ongedaan gemaakt.

Nu ook overigens niet van enig resterend belang is gebleken, is als gevolg van de intrekking van het primaire besluit hangende het beroep bij de rechtbank het procesbelang aan de zijde van appellant komen te vervallen, hetgeen had moeten leiden tot niet- ontvankelijkverklaring van het beroep.

2.2. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak, behoudens de bepaling omtrent het griffierecht, worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaren.

2.3. Aan hetgeen door appellant in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak is aangevoerd komt de Raad gelet op de vernietiging van die uitspraak niet toe.

3. De Raad ziet aanleiding het college met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant ten bedrage van € 15,56 aan reiskosten in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover het betreft de bepaling omtrent het griffierecht;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 7 oktober 2004 niet-ontvankelijk;

Veroordeelt het college in de proceskosten van appellant ten bedrage van € 15,56 aan reiskosten, te betalen door de gemeente Ede;

Bepaalt dat de gemeente Ede aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 207,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en R. Kooper en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) O.C. Boute.