Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1615

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-03-2007
Datum publicatie
28-03-2007
Zaaknummer
05-2175 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is terecht heropening van WAO-uitkering geweigerd? Zelfde ziekte oorzaak?

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 43a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2175 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (appellant), thans de erven.

tegen de uitspraak van rechtbank Arnhem van 3 maart 2005, 04/1700 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.G.M. Frerix, advocaat te Ede, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant is op 3 juli 2006 overleden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2007. Mr. Frerix heeft de Raad schriftelijk in kennis gesteld niet te zullen verschijnen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.M.M. Diebels, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was tot 2 november 1998 in het genot van een uitkering in het kader van de Wet op de arbeids- ongeschiktheidsverzekering (WAO). Op 29 april en nadien 22 juli 2003 heeft appellant het Uwv verzocht hem een WAO-uitkering toe te kennen in verband met toename van zijn gezondheidsklachten per 15 maart 2001. Nadat een verzekeringsarts, werkzaam voor het Uwv, appellant heeft onderzocht, heeft het Uwv bij besluit van 4 september 2003 de gevraagde uitkering niet toegekend. Het Uwv heeft daartoe overwogen dat de arbeidsongeschiktheid niet voorkomt uit dezelfde oorzaak als die waarvoor appellant vroeger uitkering heeft ontvangen. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van dat bezwaar en het gestelde tijdens de ter zake gehouden hoorzitting, heeft het Uwv nadere informatie gevraagd bij de behandelende medici. De ontvangen informatie heeft niet geleid tot een wijziging van het standpunt van het Uwv. Bij het thans bestreden besluit van 5 juli 2004 heeft het Uwv dan ook vastgesteld dat appellant sedert 2 november 1998 geen dienstverbanden meer heeft gehad en dat derhalve slechts op grond van artikel 43a, van de WAO heropening van de WAO-uitkering mogelijk zou zijn. Aangezien er geen verband bestaat tussen de op dat moment bestaande arbeidsongeschiktheid van appellant en de arbeidsongeschiktheid waarvoor hij in het verleden een WAO-uitkering heeft ontvangen, betekent dit volgens het Uwv dat terecht geen WAO-uitkering is toegekend.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak dat beroep ongegrond verklaard en de conclusies van het Uwv onderschreven.

In hoger beroep heeft appellant gesteld dat zijn arbeidsongeschiktheid wel eenzelfde oorzaak heeft. Hij heeft gewezen op zijn kortademigheid en vermoeidheid die ook aan de basis lagen van de hem reeds in 1988 toegekende WAO-uitkering.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de conclusies van het Uwv kunnen worden onderschreven. De toekenning van de WAO-uitkering in het verleden was gebaseerd op bij appellant sinds lang bestaande longklachten. Uit de uitgebreide medische informatie waarover het Uwv kon beschikken, bleek dat de klachten die thans aan de orde zijn, samenhingen met een goedaardig gezwel in de buurt van de longen en een bacteriƫle infectie. Van een verdergaande aandoening aan de longen was echter niet gebleken. Uit die stukken blijkt voorts dat geen verband is te leggen tussen de in het verleden aangenomen beperkingen en de ondervonden klachten ten tijde in geding, te weten 12 april 2001. De Raad is tevens van oordeel dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. Voorts was er, anders dan door de gemachtigde is gesteld, voor het Uwv, juist vanwege het feit dat in dit geval in het verband met vaste jurisprudentie van de Raad bij gebreke van een toename van de gestelde arbeidsongeschiktheid op grond van dezelfde ziekteoorzaak als in verband waarmee voorheen uitkering werd ontvangen slechts het medische aspect van de arbeidsongeschiktheid aan de orde is, geen aanleiding om een arbeidskundige rapportage op te stellen. Ten slotte was er voor de Raad, zeker gelet op de grote hoeveelheid door het Uwv vergaarde medische informatie, waartegenover door appellant geen andere gegevens zijn ingebracht, geen aanleiding om een deskundige te benoemen die ten behoeve van de Raad ten aanzien van de voorliggende vraag een onderzoek zou moeten verrichten. Het daartoe strekkende verzoek van appellant wijst de Raad dan ook af.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H.G. Rottier en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2007.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M. Gunter.