Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1610

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-03-2007
Datum publicatie
28-03-2007
Zaaknummer
05-7092 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afwezigheid van een geschil over de rechtmatigheid van het ontslag als zodanig heeft de rechtbank het beroep van betrokkene terecht wegens het ontbreken van processueel belang niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/7092 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 31 oktober 2005, 05/49 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de bestuurscommissie [Scholengemeenschap] [vestigingsplaats] (hierna: bestuurscommissie)

Datum uitspraak: 22 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De bestuurscommissie heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2007. Appellant is - met bericht - niet verschenen. De bestuurscommissie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Hardenberg, advocaat te Groningen.

II. OVERWEGINGEN

1. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de bestuurscommissie ten onrechte aangeduid als "de bestuurscommissie van de Rijksscholengemeenschap te [vestigingsplaats]". De Raad heeft daarom in de aanhef van de onderhavige uitspraak de partijstelling verbeterd. Verdergaande gevolgen behoeven hieraan niet te worden verbonden.

2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant was vanaf 29 september 2000 werkzaam als leraar aan de internationale schakelklas van de [Scholengemeenschap] te [vestigingsplaats], voor het geven van onderwijs aan leerlingen uit het onderzoeks- en opvangcentrum voor asielzoekers aldaar. Met ingang van 1 augustus 2003 heeft de bestuurscommissie dit onderwijs beëindigd vanwege het teruglopende leerlingenaantal. In verband daarmee is appellant werkzaam-heden gaan verrichten in het reguliere onderwijs. Op 12 november 2003 heeft hij aan de plaatsvervangend rector te kennen gegeven daarmee te willen stoppen. Na 17 november 2003 heeft hij geen les meer gegeven.

2.2. Bij besluit van 28 april 2004, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 29 november 2004, heeft de bestuurscommissie appellant per 1 augustus 2004 ontslagen. In het bestreden besluit is nader aangegeven dat het ontslag primair is gebaseerd op onbekwaamheid en ongeschiktheid voor het verrichten van zijn functie uit anderen hoofde dan lichamelijke of psychische oorzaken, en subsidiair op andere redenen van gewichtige aard, een en ander zoals in de CAO voor het Voortgezet Onderwijs bedoeld.

2.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant uitdrukkelijk in de primaire ontslaggrond heeft berust, hetgeen betekent dat het dienstverband reeds op die grond rechtmatig is beëindigd.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. In het aanvullende beroepschrift bij de rechtbank van 10 februari 2005 heeft de rechtsgeleerde raadsman van appellant uitdrukkelijk gesteld dat appellant, omdat de overgang van het kleinschalige onderwijs in de internationale schakelklas naar het reguliere onderwijs met grote groepen voor hem te groot was en gezondheidsklachten veroorzaakte, in het primair gegeven ontslag berust. Voorts heeft de raadsman betoogd dat de bestuurscommissie niet in redelijkheid tot het subsidiair gegeven ontslag heeft kunnen overgaan en de rechtbank verzocht het bestreden besluit om deze reden gedeeltelijk te vernietigen.

3.2. Het vorenstaande laat geen andere conclusie toe dan dat appellant het bestreden besluit niet heeft aangevochten voor zover hem ontslag is verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de functie. Met juistheid heeft de rechtbank hieruit afgeleid dat het rechtsgevolg waarop het ontslagbesluit was gericht - de beëindiging van de dienstbetrekking - in rechte is komen vast te staan. Dit rechtsgevolg was tussen partijen in beroep niet in geschil.

3.3. Onder deze omstandigheden kwam de rechtbank niet meer toe aan de vraag of ook de subsidiaire ontslaggrond - andere redenen van gewichtige aard - het ontslag had kunnen dragen. Die subsidiaire grond kon naar zijn aard slechts aan de orde komen indien het ontslag op de primaire grond in rechte geen stand zou hebben gehouden.

3.4. Bij afwezigheid van een geschil over de rechtmatigheid van het ontslag als zodanig heeft de rechtbank het beroep van appellant terecht wegens het ontbreken van processueel belang niet-ontvankelijk verklaard. De enkele omstandigheid dat het ontslag voor appellant nadelige financiële gevolgen heeft gehad, kan niet tot een ander oordeel leiden.

3.5. Het hoger beroep slaagt dan ook niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.G. Treffers en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) R.A. Huizer.