Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1538

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2007
Datum publicatie
27-03-2007
Zaaknummer
05-693 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Is juiste regelgeving toegepast?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/693 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2004, 03/2603 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 23 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.O. Wattilete, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2007. Appellante is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.H.A.H. Smithuijsen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 24 april 2003 heeft het Uwv – beslissend op bezwaar – het besluit van 5 december 2002, waarbij de WAO-uitkering van appellante per 4 februari 2003 is herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

25 tot 35% gehandhaafd.

De rechtbank is op grond van de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen tot het oordeel gekomen dat het beroep van appellante tegen het besluit van het Uwv van 24 april 2003 ongegrond is.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante zich kort samengevat op het standpunt gesteld, dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten de door hem in beroep aangevoerde gronden met toepassing van artikel 8:69, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan te vullen. Naar de mening van de gemachtigde van appellante had de rechtbank dienen te onderkennen dat appellante, nu zij reeds voor 1987 in een vast dienstverband heeft gewerkt, onder het “oude recht” viel en het Uwv het Schattingsbesluit niet aan het besluit van 24 april 2003 ten grondslag had mogen leggen.

Voorts is de gemachtigde van appellante van opvatting dat de aangevallen uitspraak in strijd is met een aantal met name genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Ten slotte heeft de gemachtigde van appellante, zonder nadere toelichting of aanvulling, verwezen naar de door hem bij de rechtbank ingediende gronden.

De Raad overweegt als volgt.

De grief van de gemachtigde van appellante met betrekking tot de van toepassing zijnde wettelijke grondslag faalt.

Het door de gemachtigde van appellante bedoelde oude recht is van toepassing op diegenen die op 31 december 1986 recht hadden op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en tevens op 1 augustus 1993 45 jaar of ouder waren. Appellante voldoet aan geen van beide voorwaarden.

Overigens is ook gelet op het bepaalde in artikel XVI van de Wet Terugdringing Beroep op de arbeidsongeschikt- heidsregeling, het bepaalde in het Cohortenbesluit en de leeftijd van appellante, het zogenoemde middencriterium niet op haar van toepassing. Het Uwv heeft mitsdien aan zijn besluit van 24 april 2003 het juiste wettelijk kader – waaronder het Schattingsbesluit - ten grondslag gelegd.

Nu door de gemachtigde van appellante in beroep ter zake geen grieven waren ingediend en het Uwv het juiste wettelijk kader aan zijn besluit ten grondslag had gelegd, bestond er voor de rechtbank geen noodzaak om van de beoordeling of het besluit op de juiste wettelijke grondslag rustte in de uitspraak expliciet melding te maken.

De Raad begrijpt de grieven van de gemachtigde van appellante met betrekking tot de algemene beginselen van behoorlijk bestuur – welke beginselen overigens de besluitvorming door het bestuur en niet de uitspraken van de rechtbank normeren – zo, dat de gemachtigde appellante van mening is dat de rechtbank onvoldoende inzicht heeft gegeven in de overwegingen die tot haar oordeel hebben geleid, waardoor dit oordeel niet te begrijpen is.

De Raad deelt deze opvatting niet. De rechtbank heeft op uitgebreide wijze inzicht gegeven op grond van welke overwegingen zij tot het oordeel is gekomen dat de door de gemachtigde van appellante ingediende gronden niet tot vernietiging van het besluit van 24 april 2003 hebben kunnen leiden.

De Raad kan de overwegingen van de rechtbank ook inhoudelijk volledig onderschrijven en heeft daaraan niets toe te voegen.

Het hoger beroep treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.E. Nijdam als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2007.

(get.) J. Brand.

(get.) N.E. Nijdam.