Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1536

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2007
Datum publicatie
27-03-2007
Zaaknummer
05-344 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Zwangerschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/344 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 december 2004, 04/2384 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 23 maart 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante en het Uwv hebben nog nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2007. Appellante is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. mr. G. Koopman.

II. OVERWEGINGEN

Voor een meer uitgebreide weergave van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende.

Appellante heeft gewerkt als voorlichtster op het terrein van opvoeding en gezondheid gedurende 22 uur per week en is op 17 maart 1997 met diverse klachten uitgevallen, in het bijzonder klachten die samenhangen met bekkeninstabiliteit. Laatstelijk ontving zij een uitkering op grond van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 12 juni 2003 heeft het Uwv deze uitkering ingetrokken, omdat appellante naar het oordeel van het Uwv met voor haar geschikte gangbare arbeid een zodanig inkomen kan verwerven, dat haar verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% bedraagt. Bij besluit van 26 april 2004 (het bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante ongegrond verklaard en het besluit van 12 juni 2003 gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft zich kunnen vinden in de medische en de arbeidskundige beoordeling door het Uwv. De rechtbank heeft daarbij onder meer van belang geacht dat bij het vaststellen van de beperkingen van appellante door de (bezwaar)verzekeringsartsen rekening is gehouden met de resultaten van het eigen onderzoek en met de informatie die is verkregen van o.a. de huisarts van appellante, van het Spine&Joint Centre en van de aan de RIAGG verbonden appellante behandelende psychiater E. Op de Coul-Zelechowska.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij het niet eens is met de uitspraak van de rechtbank en heeft zij er op gewezen dat zij binnenkort door de chirurg Prof. dr. A.B. van Vugt aan haar bekken zal worden geopereerd. Zij heeft verder aangegeven dat zij niet kan fietsen, maximaal 250 meter kan lopen en veel moet liggen. Ook heeft zij vermeld dat zij in verband met haar klachten een elektrische fiets met lage instap krijgt via de Wet voorzieningen gehandicapten. Ter ondersteuning van haar argumenten heeft appellante onder meer informatie overgelegd van genoemde professor Van Vugt.

De Raad overweegt als volgt.

Gelet op de diverse rapportages is door de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv naar het oordeel van de Raad in voldoende mate rekening gehouden met de lichamelijke en psychische klachten van appellante. Op beide terreinen is voor appellante een groot aantal beperkingen tot het verrichten van arbeid opgenomen, waaronder een zogenoemde urenbeperking. Bij het opstellen van die beperkingen is rekening gehouden met de meergenoemde informatie van de artsen die appellante hebben behandeld.

Dat appellante op de datum waarop de WAO-uitkering is ingetrokken enkele maanden zwanger was, is geen reden voor een ander oordeel. De Raad kan op dit punt instemmen met de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts Huijsmans in zijn rapport van 15 april 2004. Alhoewel de bekkenklachten van appellante mogelijk misschien juist door een zwangerschap kunnen toenemen, is niet gebleken uit overgelegde informatie of anderszins dat appellante op die datum meer beperkingen had dan ten tijde van het opstellen van de zogenoemde functionele mogelijkhedenlijst.

Dat appellante zal worden geopereerd, en mogelijk inmiddels is geopereerd, vormt ook geen aanleiding de medische beoordeling van het UWV niet te volgen, nu het in dit geding gaat om de medische situatie van appellante op 3 augustus 2003. Eventuele verslechteringen in de gezondheidssituatie van appellante die zich daarna hebben voorgedaan kunnen bij de huidige beoordeling geen rol spelen.

Evenals de rechtbank is de Raad derhalve van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om de medische beoordeling door het Uwv niet te volgen en de voor appellante geformuleerde beperkingen niet over te nemen.

Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft aangegeven, moet appellante ook naar het oordeel van de Raad in staat worden geacht om met haar beperkingen een aantal met name genoemde functies te verrichten. Met deze voor haar geschikte functies kan zij blijkens o.a. het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige

A.G. Diergaarde van 17 mei 2005 in beginsel een zodanig inkomen verwerven dat haar verlies aan verdiencapaciteit ten opzichte van hetgeen zij verdiende voor zij arbeidsongeschikt werd, minder dan 15% bedraagt.

Hetgeen de Raad hiervoor heeft overwogen betekent dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter, en J.W. Schuttel en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.