Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1527

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2007
Datum publicatie
27-03-2007
Zaaknummer
06-944 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijzondere bijstand voor griffierecht, ten behoeve van cassatieprocedure inzake rioolrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 173
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/944 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 2 januari 2006, 05/2035 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Gilze en Rijen (hierna: College).

Datum uitspraak: 22 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2006, waar alleen appellant in persoon is verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Op 22 augustus 2004 heeft appellant een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor griffiekosten in verband met beroep in cassatie. Bij besluit van 15 september 2004 heeft het College deze aanvraag afgewezen op de grond dat niet is gebleken dat het bijzondere noodzakelijke kosten van bestaan betreffen.

Bij besluit van 2 mei 2005 heeft het College weliswaar het bezwaar tegen het besluit van 15 september 2004 gegrond verklaard, maar de aanvraag om bijzondere bijstand griffierecht opnieuw afgewezen op de grond dat deze kosten niet als bijzonder noodzakelijk worden beschouwd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 2 mei 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover deze meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

Met de rechtbank en het College is de Raad van oordeel dat in casu geen sprake is van noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB.

Uit de jurisprudentie van de Raad vloeit voort dat de noodzaak voor het maken van kosten van griffierecht in beginsel kan worden aangenomen indien op grond van de Wet op de rechtbijstand krachtens toevoeging rechtsbijstand is verleend. In deze zaak heeft appellant geen toevoeging gevraagd. In zulk geval dient het bijstandsverlenend orgaan zich aan de hand van de zich in het concrete geval voordoende omstandigheden zelfstandig een oordeel te vormen met betrekking tot de noodzaak van de gevoerde procedure. Daarbij moet van de betrokkene ten minste worden verlangd dat hij aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk maakt dat hij terzake van de door hem gevoerde procedure noodzakelijke kosten heeft gemaakt. Uit het door het College ingestelde onderzoek is gebleken dat de kosten van griffierecht betrekking hebben op de door appellant ingestelde cassatieprocedure, gericht tegen een aanslag rioolrechten over 1999 door de gemeente Baarle-Nassau. Niet betwist wordt door appellant dat deze gemeente gerechtigd was rioolrecht te heffen. Hieruit volgt dat appellant verplicht was dit rioolrecht te voldoen. Tegen deze achtergrond is de Raad van oordeel dat appellant de noodzaak van het voeren van een cassatieprocedure niet aannemelijk heeft gemaakt. Het College heeft de aanvraag om bijzondere bijstand voor griffiekosten dan ook terecht afgewezen.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2007.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) M. Pijper.