Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA1516

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2007
Datum publicatie
27-03-2007
Zaaknummer
06-1282 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing nieuwe aanvraag bijstanduitkering, na eerdere intrekking. Gewijzigde omstandigheden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1282 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 januari 2006, 05/460 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Alphen aan den Rijn (hierna: College)

Datum uitspraak: 26 februari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. T. Bissessur, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de gedingen met reg.nrs. 06/1284 WWB en 06/1313 WWB plaatsgevonden op 15 januari 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Bissessur. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Kant, werkzaam bij de gemeente Alphen aan den Rijn. Na het sluiten van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 24 juni 2004 is de bijstand van appellant met ingang van 1 januari 2004 ingetrokken. Bij besluit van

10 september 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 24 juni 2004 ongegrond verklaard. Het daartegen ingestelde beroep heeft de rechtbank ongegrond verklaard. Bij uitspraak van heden met reg.nr. 06/1313 WWB heeft de Raad die uitspraak bevestigd.

Op 5 juli 2004 heeft appellant zich bij het Centrum voor werk en inkomen (CWI) gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand met ingang van 30 mei 2004. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het College onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van appellant. In dat kader zijn twee huisbezoeken afgelegd op het door appellant opgegeven adres. Op basis van de onderzoeksbevindingen, waarvan verslag is gedaan in een rapport van 18 augustus 2004, heeft het College bij besluit van 18 augustus 2004 de aanvraag van appellant afgewezen. Hieraan heeft het College ten grondslag gelegd dat niet is gebleken van gewijzigde omstandigheden ten opzichte van het eerder genomen besluit van 24 juni 2004.

Bij besluit van 3 december 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 18 augustus 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 3 december 2004 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Naar vaste rechtspraak van de Raad ligt het in een geval als de onderhavige, waarin na intrekking van bijstand een aanvraag gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum wordt ingediend, op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat hij thans wel voldoet aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.

De Raad is met de rechtbank en het College van oordeel dat niet is gebleken van verandering van omstandigheden in de hiervoor bedoelde zin sedert de intrekking van de bijstand per 1 januari 2004. De bevindingen tijdens de huisbezoeken van 27 juli 2004 en op 3 augustus 2004 wijken niet wezenlijk af van de bevindingen van het op 21 juni 2004 gehouden huisbezoek dat (mede) heeft geleid tot het hiervoor genoemde besluit van 24 juni 2004. Wederom is geconstateerd dat op het adres de noodzakelijke huisraad ontbrak en dat voedingsmiddelen nagenoeg afwezig waren. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor een andersluidend oordeel.

Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en C. van Viegen en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2007.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.